Nieuws

De oogst van het IIe Programma Revalidatieonderzoek

02 maart 2015

Het IIe Programma Revalidatieonderzoek, van 2006 tot 2010, richtte zich op de effectiviteit van interventies. Nu bijna alle studies afgerond zijn, is duidelijk dat het programma veel praktische resultaten heeft opgeleverd. Regelmatig is dat ook het inzicht dat een interventie níet effectief is.

ALLRISC
‘Met het ouder worden, worden mensen vaak minder fit. Wanneer je een dwarslaesie hebt gaat dat proces sneller, en dat gaat samen met andere gezondheidsproblemen zoals blaasproblemen of decubitus’, vertelt bewegingswetenschapper Luc van der Woude, projectleider van ALLRISC en hoogleraar Bewegen, Revalidatie en Functieherstel in Groningen. ‘En daarmee verminderen welzijn en deelname aan de samenleving, zo blijkt uit een deelstudie van ALLRISC onder 291 dwarslaesiepatiënten.’ Het is dus belangrijk om gericht aandacht te besteden aan die fitheid, ook om te voorkomen dat mensen langdurig moeten worden opgenomen. Daarom dienden de onderzoekers onlangs een implementatievoorstel in bij ZonMw. ‘Samen met de patiëntenorganisatie en de koepelorganisatie van revalidatieprofessionals willen we een boek, website en digitale vraagbaak voor dwarslaesiepatiënten ontwikkelen over fitheid en het voorkomen van secundaire problematiek.’ De website en vraagbaak gaan vervolgens weer een rol spelen in het te ontwikkelen fitheidsbeleid van de acht in dwarslaesiebehandeling gespecialiseerde revalidatiecentra, verwacht Van der Woude.

ALLRISC kende nog drie deelstudies. Een deelonderzoek naar een zelfmanagementprogramma is nog niet afgerond. Een laag-intensieve rolstoeltraining bleek geen effect te hebben op de fitheid. Maar trainen op de handbike, gecombineerd met fietsen met de benen en elektrische stimulatie van de beenspieren, leek wel positieve fitheidsseffecten te hebben. Het aantal deelnemers was uiteindelijk te laag om dit wetenschappelijk te kunnen aantonen. ‘Er waren veel gezondheids- en motivatieproblemen in de onderzoeksgroep. Logisch, omdat we de meest kwetsbare groep gevraagd hadden deel te nemen. Dat demonstreert weer hoe belangrijk het is die fitheid van begin af aan op peil te houden.’

Restore4Stroke
Meer individuele aandacht voor de CVA-revalidant en diens partner. Dat wordt waarschijnlijk het voornaamste resultaat van Restore4Stroke, vertelt Caroline van Heugten, hoogleraar klinische neuropsychologie in Maastricht en coördinator van het onderzoeksprogramma. ‘De invloed van persoonlijke factoren op participatie, welbevinden en kwaliteit van leven is heel groot, zo bleek uit ons onderzoek. De copingstijl is bijvoorbeeld belangrijk - hoe ga je om met stressvolle situaties? - en ook de zelfeffectiviteit - het vertrouwen dat je hebt in je eigen vermogen om je situatie te beïnvloeden. En persoonlijkheidskenmerken, zoals optimisme.’ Zo is het waarschijnlijk dat mensen met ernstig letsel en een actieve copingstijl meer gaan participeren dan mensen met minder ernstig letsel maar een passieve copingstijl, stelt Van Heugten. Het is goed als revalidatieteams dit weten, en als ze weten hoe je die persoonlijke factoren kunt meenemen in de revalidatie. De onderzoekers kregen van ZonMw een implementatiesubsidie om hiervoor een cursus te ontwikkelen.

In het onderzoeksprogramma werden ook twee interventies ontwikkeld en onderzocht, waarvan de onderzoekers dachten dat ze de participatie en kwaliteit van leven zouden verhogen. Een cognitieve gedragstherapie voor de behandeling van depressie na een beroerte, en een zelfmanage-mentprogramma voor patiënt en partner. Beide interventies bleken geen verschil te maken met de controlebehandeling. ‘Toch leerden we hier ook veel uit. Bijvoorbeeld dat we toe moeten naar meer op het individu toegesneden zelfmanagementprogramma’s.’ Ten slotte kende het project een economische evaluatie. ‘We weten nu wat een beroerte in het eerste jaar kost. Jongere mensen hebben hogere kosten, vooral door meer arbeidsverzuim.’

Explicit-Stroke
Bij een revalidant die na een beroerte een arm niet meer kan bewegen maar nog wel de vingers enigszins kan strekken, moet je zo snel mogelijk beginnen om de arm- en handfunctie te trainen. Deze bevinding uit het Explicit-Stroke-project is belangrijk voor de praktijk, stelt Gert Kwakkel, hoogleraar neurorevalidatie aan het VUmc en van begin af aan betrokken bij het project.

‘Een groep revalidanten kreeg zo snel mogelijk, ongeveer de achtste dag na de beroerte, Constraint Induced Movement Therapy, CIMT. Drie weken lang werd de getroffen arm dagelijks een uur getraind. Daarbij werd de andere, gezonde arm geïmmobiliseerd. Deze groep herstelde sneller dan patiënten die de gebruikelijke behandeling kregen.’ Al haalde de laatste groep de eerste wel langzaam weer in. ‘We weten nog niet of het tot voorbij zes maanden na een beroerte winst oplevert. Om daar meer zicht op te krijgen, zouden we de therapie langer moeten toepassen.’ Maar het snellere herstel alleen al is reden genoeg om de - goedkope - CIMT-therapie breed toe te passen, vindt Kwakkel. ‘We hebben een vervolgsubsidie aangevraagd bij Zorgonderzoek Nederland, om de CIMT-therapie te kunnen implementeren.’
Daarnaast behandelden de onderzoekers revalidanten die hun vingers helemaal niet meer konden bewegen. Zij kregen drie weken lang ‘EMG-gestuurde neuromusculaire stimulatie’. Die behandeling blijkt voor deze groep, met een ongunstige prognose voor herstel van arm-handvaardigheid, geen meerwaarde te hebben boven reguliere oefentherapie. ‘Op een bepaalde manier is ook dat winst. We weten nu dat dit niet werkt en dat we mechanismen van spontaan neurologisch herstel niet door revalidatie kunnen beïnvloeden.’

LEARN2MOVE
Een coachende houding van de fysiotherapeut motiveert ouders om hun kind tot bewegen te stimuleren. Dat is een belangrijke uitkomst van LEARN2MOVE, vertelt Heleen Reinders, coördinator van het project en beleidsmedewerker wetenschappelijk onderzoek bij Revalidatie Friesland. Het doel van LEARN2MOVE is om kinderen met hersenbeschadiging, of cerebrale parese, meer te laten bewegen. Het project bestaat uit vier deelprojecten, gericht op verschillende leeftijdsgroepen: 0-2, 2-3, 7-12 en 16-14 jaar.

Binnen het ‘jongste’ deelproject begeleidden fysiotherapeuten de ouders in het stimuleren van hun kind om te bewegen. ‘We vonden daar geen verschil tussen de onderzoeksgroep en de controlegroep. Maar na een analyse van videobeelden ontdekten we dat de houding van de individuele therapeut wel verschil maakt. Ouders gaan het kind méér stimuleren wanneer de therapeut zelf minder handelt, en ouders coacht in het ontdekken van wat ze eigenlijk al weten. Bijvoorbeeld door te vragen hoe ze het eerder in een vergelijkbare situatie hebben aangepakt.’ Deze aanwijzingen zijn zo sterk dat een kinderrevalidatiebrede - dus ook voor kinderen met andere diagnoses - implementatiesubsidie is aangevraagd bij ZonMw. Het aanleren van een coachende houding door therapeuten staat daarbij centraal.

Bij de twee oudste onderzoeksgroepen leek het erop dat met name counseling over gezonde leefstijl een positief effect heeft op de activiteiten van het kind. ‘De fysiotherapeut gaat in gesprek, en denkt mee met ouders en kind. Dat lijkt goed te werken, waarschijnlijk omdat je zo echt maatwerk kunt leveren.’ Die resultaten zijn zo hoopgevend dat ze nu bij verschillende revalidatie-instellingen en eerstelijns therapeuten geïmplementeerd worden.
 
Bron: Revalidatie Magazine (RM) nr. 1 2015
Auteur: Adri Bolt
Illustratie: Roel Seidell

Agenda

meer »