10 april 2026

Wetenschappelijke publicatie

Deze kwalitatieve studie wil bijdragen aan een beter begrip van de barrières die reumatologen – en bij uitbreiding revalidatieartsen – ervaren bij het bespreken van seksuele gezondheid met hun patiënten.

Auteurs
DRS. M. (MIRJAM) HEMKER MSC

Klinisch seksuoloog, Reade Revalidatie en Reumatologie, Nederland

PROF. DR. R. (RENÉ) WESTHOVENS
Reumatoloog, emeritus hoogleraar KU Leuven, België

PROF. DR. P. (PAUL) ENZLIN
Klinisch orthopedagoog, klinisch seksuoloog, relatie- en gezinstherapeut, hoogleraar, Instituut voor Familiale en Seksuologische Wetenschappen, KU Leuven, België

Voor zowel gezonde mensen als patiënten met een chronische aandoening draagt seksuele gezondheid bij aan levenskwaliteit, mede omdat het een belangrijke rol speelt in relationele intimiteit met een partner.1 Voor chronisch zieken geldt dat patiënten vaak een invloed op hun seksueel welzijn ervaren van zowel hun aandoening zelf als de behandeling(en) ervan.2 Hoewel het belang van aandacht voor seksuele gezondheid in de zorg is aangetoond,2-4 is het binnen de standaardzorg niet gebruikelijk om seksuele problemen te bespreken.2,4,5,6 Onderzoek toont dat de meeste patiënten wel met hun artsen over seksualiteit willen spreken maar het de verantwoordelijkheid van de arts vinden om het gesprek hierover te initiëren.2,5,7-9 De meeste artsen vinden het ook wel een relevant onderwerp maar wachten tot de patiënt er zelf over begint, resulterend in een two-way taboo.4,9-12 Uit een recente Franse studie van patiënten met inflammatoir reumatische aandoeningen blijkt dat van de 72% die seksuele problemen rapporteerde, 80% deze nog nooit met een zorgverlener had besproken.7 Vergelijkbare resultaten werden gevonden in een Deense studie: 83% van de reumapatiënten rapporteerde dat er het voorgaande jaar niet naar seksuele gezondheid werd gevraagd door zorgverleners.13 Dat is binnen de revalidatiezorg niet anders: de weinige beschikbare studies tonen dat mensen met een fysieke beperking of chronische aandoening seksuele gezondheid vaker niet dan wel met hun zorgverlener bespreken14,15 en dat het integreren van seksuele gezondheid in de Nederlandse revalidatiezorg een grote uitdaging vormt.14,16

Barrières

Verschillende studies onderzochten waarom artsen en andere zorgverleners het nalaten om het onderwerp ter sprake te brengen.2,5,6,10,17 Twee systematische reviews over de ervaren barrières tonen dat patiëntspecifieke, organisatorisch-professionele, culturele en persoonlijke factoren hierbij meespelen.4,5 Deze laatste twee factoren omvatten maatschappelijke en individuele attitudes en taboes rondom seks, die samen tevens de gevoelens, gedachten en het gedrag van zorgverleners ten aanzien van seksualiteit bepalen. Het is belangrijk te achterhalen hoe alle voornoemde factoren de aard en frequentie van arts-patiëntgesprekken over seksualiteit beïnvloeden.4,5,11 Er werd eerder gevonden dat overtuigingen, attitudes en gedrag rond seksualiteit sterk door iemands cultuur worden beïnvloed.5,18,19 Voor artsen geldt daarbij bovendien dat ze diep geworteld zijn in de biomedische cultuur,5,18-21 die in gesprekken met patiënten over seks doorwerkt. Vanuit de biomedisch blik wordt seksualiteit meestal beschouwd als iets functioneels waarbij de seksuele functie hersteld dient te worden en waarbij psychosociale aspecten van seksualiteit vaak worden genegeerd.5,20 Dit artikel exploreert hoe reumatologen de vorming van hun persoonlijke en professionele attitudes over seksualiteit beschrijven en hoe zij de invloed van deze attitudes op de manier waarop zij hierover (niet) spreken met hun patiënten ervaren. Gelet op de parallel tussen reumatologie en revalidatiegeneeskunde – beide gericht op chronische patiëntpopulaties vanuit een biopsychosociale grondslag – verwachten wij dat onze studie ook voor de revalidatiegeneeskundige praktijk relevant zal zijn.

Methoden

Deze kwalitatieve multiple case studie is gebaseerd op semigestructureerde diepte-interviews met reumatologen. Op basis van de literatuur4-6 werd het volgende theoretisch patroon omschreven: als reumatologen gesprekken met patiënten over seksualiteit als makkelijk (moeilijk) ervaren (A), zullen ze het onderwerp in hun consulten (niet) actief ter sprake brengen (C), met als onderliggend mechanisme dat hun persoonlijke en professionele attitudes hen helpen (hinderen) in het comfortabel spreken hierover (B). Dit theoretische patroon diende als voorlopige verklaring voor de verwachte uitkomsten, waarbij ruimte werd gelaten voor verdere theorievorming op basis van patronen die uit de data zelf naar voren kwamen.22

Er werden via snowball sampling 12 reumatologen geïnterviewd: zes vrouwen en zes mannen (gemiddelde leeftijd: 45,9 jaar ± 11,2 jaar), negen Belgen en drie Nederlanders gaven informed consent.

Gelet op het exploratieve karakter van de studie werd gebruikt gemaakt van flexible pattern-matching wat inhoudt dat een voorspeld theoretisch patroon dat uit eerdere studies werd gededuceerd, wordt vergeleken met een geobserveerd empirisch patroon.22 De data-analyse werd uitgevoerd door de eerste auteur met behulp van NVivo 12. In dit analyseproces speelden persoonlijke en epistemologische reflexiviteit een belangrijke rol.

Resultaten

Zie tabel 1 en 2 onderaan dit artikel voor gedetailleerde citaten.

Ervaring van de arts [A]

Vrijwel alle participanten erkenden dat ze praten over seksualiteit met patiënten soms ongemakkelijk vonden (bij aanwezigheid van naasten, bij oudere patiënten of als patiënten verlegen waren). Dit kwam voort uit ‘eigen schroom’, maar het vaakst uit ‘het gevoel weinig oplossingen te kunnen bieden’. Het voelde makkelijker als ‘patiënten zelf het onderwerp aansneden’, wat vaak ‘samenging met een goede en/of langere behandelrelatie’.

“Als het onderwerp op tafel ligt, kan ik het er wel gewoon over hebben. Het is dat moment… benoemen, denk ik.

In de praktijk [C]

De participanten in deze studie begonnen zelden zelf over seksualiteit. Enkele deelnemers gaven aan ‘niet te weten hoe ze dit zouden moeten doen’. Sommigen ‘vreesden de reactie van patiënten’, anderen vertelden ‘slechts in algemene termen te vragen naar problemen of beperkingen’. Een aantal artsen had van patiënten ‘een hint nodig dat seksualiteit een belangrijk onderwerp was’. Eén erg ervaren deelnemer benoemde het onderwerp seksualiteit wel regelmatig zonder specifieke (medische) aanleiding. De andere elf stelden dat ze enkel over seksualiteit begonnen als er een medische reden voor was. Enkele artsen veronderstelden dat ‘patiënten dit misschien liever met iemand anders bespreken’. Sommigen vermoedden dat ‘patiënten er uit schaamte niet over durven te beginnen’. Wanneer er wel over seksualiteit werd gesproken, was het meestal de patiënt die erover begon. De meeste artsen moedigen de patiënt dan aan door ‘vriendelijk te zijn’, ‘de tijd te nemen’. De helft koos voor een biomedische invalshoek: ‘ik leg uit dat medicatie helpt bij pijn en vermoeidheid en dat dan hopelijk ook het algemeen welzijn verbetert’.

“Ik vind het confronterend om te bedenken dat ik daar nooit naar vraag.”

Professionele attitudes [B.1]

De meeste artsen erkenden dat een chronische ziekte ernstige gevolgen kan hebben voor seksuele gezondheid en levenskwaliteit. Allen vonden het belangrijk dat patiënten vragen kunnen stellen over seksualiteit vanuit de overtuiging dat ‘patiënten over alles moeten kunnen praten’. Seksualiteit werd dus niet gezien als een taboeonderwerp, maar in de praktijk voelde het vaak wel als ongemakkelijk om het gesprek te starten. Bijgevolg lieten zij het doorbreken van het two-way taboo over aan de patiënt, maar vonden het hun taak om dit voor patiënten makkelijker te maken. Vijf deelnemers vonden dit een persoonlijk werkpunt en sommigen wilden tools aangereikt krijgen.

Geen van de deelnemende artsen had enige formele training gehad om het onderwerp seksualiteit te bespreken. Het was een blinde vlek in hun opleiding waarin seksualiteit vanuit een fysiologisch reproductief gezichtspunt werd benaderd. Acht participanten herinnerden zich niet dat hun supervisors ooit met hun patiënten over seksualiteit spraken. Enkele deelnemers vonden dat bespreken van seksualiteit ‘een bepaalde mentaliteit’, een ‘holistische benadering’ vergt. Sommige jongere participanten benoemden ‘weinig ervaring en handvatten’ te hebben, wat leidde tot weinig zelfvertrouwen. De meeste artsen vonden dat je ‘leert spreken over seksualiteit door het vaker te doen’.

Vijf participanten vonden het belangrijk om te screenen op seksuele problemen, maar verwezen voor behandeling door naar de huisarts, seksuoloog, psycholoog of gespecialiseerde verpleegkundigen. De helft van de participanten benadrukte het belang van een multidisciplinair team.

“Patiënten beginnen er amper over en niemand toont je om erover te beginnen, waardoor je niet gemerkt hebt dat je ’t niet geleerd hebt.”

Persoonlijke attitudes [B.2]

Hoewel veel deelnemers vertelden dat seksualiteit vroeger bij hen thuis en op school niet openlijk werd besproken, gaven de meesten van hen aan dat het niet per se taboe was. Vijf participanten vertelden dat ze de seksuele opvoeding van hun eigen kinderen anders aanpakken dan hun ouders en gebruikten vergelijkbare omschrijvingen in hun verhalen over het bespreken van seksualiteit met hun kinderen en met hun patiënten. In beide gevallen probeerden ze een klimaat te scheppen waarin de ander voelt dat alles – ook seks – mag worden besproken. Tegelijkertijd erkenden ze dat dit niet betekent dat die openheid opgemerkt wordt.

Gevraagd naar de rol die seksualiteit in hun eigen leven speelt, bevestigden de meeste deelnemers dit als iets (zeer) belangrijks te beschouwen. Acht participanten zagen seks als iets dat hoort bij een relatie, als onderdeel van de intieme band met hun partner. Enkele artsen benoemden seks als ‘privé’. Twee van hen vonden dat er ‘voorzichtig’ over moet worden gesproken. Zeven participanten beschouwden hun persoonlijke attitude tegenover seksualiteit als ‘open minded’ en ‘ruimdenkend’.

“Vanuit huis [werd verteld] dat… dat het vooral ook een plezier moet zijn.”

Patroon [B.3]

Alle artsen benoemden een verband tussen hun persoonlijke en professionele attitudes en de frequentie en wijze waarop ze seksualiteit met patiënten bespreken. Sommige participanten benadrukten dat, meer dan hun opvoeding, hun eigen interesse in seksualiteit én hun ontwikkeling als arts een rol speelde in het bespreken van seksualiteit. Een grote groep benoemde de invloed van hun medische opleiding eerder als belemmerend omdat communicatie over seksualiteit geen onderdeel van het curriculum was en het ook zelden door supervisors werd benoemd of gedemonstreerd. Daardoor ‘blijft het beladen’. Terwijl acht artsen een ‘gebrek aan tijd’ als verklaring voor het niet bespreken van seksualiteit noemden, voegden de meesten hieraan toe dat dit ‘geen valide excuus’ is.

Deelnemers die zichzelf als open minded omschreven, stelden in hun persoonlijke leven gemakkelijk over seksualiteit te spreken en ook relatief comfortabel met patiënten, weliswaar mits patiënten er zelf over beginnen. Ook zij deelden hun onzekerheid of patiënten het wel prettig vonden en verlangden liefst een teken hiervan (zie tabel 1 in online artikel voor representatieve citaten). Vier participanten, die zich rond seksualiteit als meer terughoudend omschreven, waren geneigd om seksuele problemen op een meer technische, medische manier te behandelen zonder een meer diepgaand gesprek. Zij benoemden dat seksualiteit in hun gezin van herkomst of in hun huidige thuisomgeving niet veel werd besproken en beschouwden seksualiteit vaker als een privézaak en onderdeel van een partnerrelatie (zie tabel 2 in online artikel voor representatieve citaten).

Elke participant beschreef een eigen, unieke mix van persoonlijke en professionele invloeden op hun aanpak van en ervaring rond seksualiteit als onderwerp in een consult. Sommigen ervoeren het als moeilijk, anderen vonden het gemakkelijker en spraken er vaker en opener over, maar ook zij initieerden deze gesprekken niet structureel – op één participant na.

“Het was een vrij open onderwerp, thuis. Ik denk dat dat wel invloed heeft op hoe ik het zou wíllen benaderen. Hoe ik het daadwerkelijk doe, da’s nog een ander punt.”

Discussie en conclusie

Deze resultaten uit de reumatologie zijn vergelijkbaar met die van een recente systematische review van Mc Grath et al. bij personen met een chronische ziekte of beperking.6 Deze auteurs kwamen eveneens tot de conclusie dat zorgprofessionals een gebrek aan kennis en zelfvertrouwen hebben om seksualiteit te bespreken en dat velen het daarom zelden doen, ook omdat ze seksualiteit als iets persoonlijks beschouwen. Dezelfde terughoudendheid herkennen we bij de meeste reumatologen in onze studie, met dezelfde gevolgen. De persoonlijke attitudes van artsen over seksualiteit beïnvloeden duidelijk hoe zij hun vak uitoefenen, maar uit onze studie blijkt ook dat – anders dan het theoretisch patroon voorspelt – een open mind geen garantie is voor een proactieve aanpak voor wat betreft het systematisch bespreken van seksualiteit in de praktijk.

Diverse studies bieden aanknopingspunten hoe zorgverleners een meer actieve houding kunnen aanleren in het bespreken van seksualiteit met patiënten.4-6,16,17 De meeste hiervan werden ook benoemd door de artsen in onze studie. Communicatietraining en kennis over seksualiteit zou een vast onderdeel moeten zijn van het curriculum in de basis- en specialisatieopleiding geneeskunde. Daarbij zouden supervisors in academische ziekenhuizen seksualiteit in het bijzijn van artsen in opleiding moeten bespreken met patiënten. Communicatietrainingen waarin psychosociale aspecten van seksualiteit zijn opgenomen dragen bij aan het zelfvertrouwen en de frequentie waarmee zorgprofessionals seksualiteit adresseren.4-6,16 Bij het werken in multidisciplinaire teams benadrukken zowel McGrath et al. als Pieters et al. dat duidelijk moet zijn welke discipline(s) een proactieve rol aannemen en dus verantwoordelijk zijn voor het introduceren van seksuele gezondheid als onderwerp bij patiënten.6,16 Tot slot zou het bespreken van seksualiteit onderdeel moeten zijn van klinisch medische richtlijnen en zou het onderwerp seksuele gezondheid structureel in screeningsvragenlijsten moeten worden opgenomen zodat de drempel voor artsen om hierover te beginnen lager wordt.

Een beperking van deze studie is de steekproefbias: deelnemende artsen hadden over het algemeen een open en geïnteresseerde houding ten opzichte van seksualiteit. Het merendeel werd gerekruteerd via het netwerk van één participant. Codering en analyse werd door één onderzoeker gedaan wat inhoudt dat er geen datatriangulatie was. Congruente uitkomsten uit vergelijkbare studies versterken wel de validiteit van onze studie.

Concluderend: de ervaring van de reumatologen met het bespreken van seksualiteit met patiënten is vergelijkbaar met die van andere zorgprofessionals, inclusief revalidatieartsen: ze adresseren het onderwerp nauwelijks in hun consulten en negeren daarmee een belangrijke factor die bijdraagt aan het welzijn van hun patiënten. Verbetering is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat seksuele gezondheid een structureel onderdeel wordt van de klinische consulten van reumatologen. Alleen op die manier komen ze tegemoet aan de brede noden van patiënten om hun levenskwaliteit te bevorderen.

Tabel 1. Representatieve citaten.

Participant 2Participant 10
AHoe deelnemende artsen het spreken met patiënten over seksualiteit ervaren
 “Als het onderwerp [seksualiteit] op tafel ligt… dan kan ik het er wel gewoon over hebben. […] Als het op tafel ligt, is het prima. Het is dat moment… benoemen, denk ik.““Als patiënten daarover beginnen dan voel ik me niet oncomfortabel, zoals andere mensen misschien wel oncomfortabel worden, da’s voor mij geen probleem. […] Als ze zelf al met die vraag komen, is het voor de mensen meestal ook wel iets waar ze over kúnnen praten. […] Ik denk dat ’t nu zo weinig… dat degenen waarmee ik erover praat, de mensen zijn die er eigenlijk zelf geen punt van maken. […] Dus moeilijk, nee. Ik denk dat ik dat misschien eerder zou tegenkomen als ik er zelf naar zou vragen, dat het dan wel moeilijker zou werken.”
B.1Professionele attitudes over seksualiteit
 “We hebben met een bijscholing in het najaar wel goede adviezen gekregen… Algemene adviezen maar ook eventueel… als iemand echt vastloopt, wanneer kun je iemand verwijzen… en dan heb je net iets meer houvast. Dus dat is wel fijn.”

“Als je nagaat wat allemaal een rol kan spelen in het leven van een patiënt… pijn… beperking… sporten… werk, vriendschappen… sociaal leven… dan is dit [seksualiteit] eigenlijk ook een belangrijk onderwerp, voor patiënten ook. […] Het blijft natuurlijk een onderwerp wat een bepaalde lading heeft. Terwijl dat misschien niet zo hoeft te zijn. Dat het gewoon één van de items is waar mensen problemen kunnen ervaren… Eigenlijk moet je het zo benaderen. […] Ik denk als wij de lading eraf halen dan is die voor de patiënt ook al wat minder.”
“Ik herinner me goed dat we communicatielessen hebben gehad [in de geneeskundeopleiding]: wat haal je allemaal aan, en hoe voer je een slecht-nieuws gesprek, dat allemaal wel. Maar hoe bespreek je zúlke zaken met patiënten, daar hebben wij gewoon nooit iets over gezien. […] Dus nee, ik denk dat ’t een beetje een blinde vlek is geweest. […] Omdat… je patiënten beginnen er amper over en niemand toont je om erover te beginnen, waardoor je niet gemerkt hebt dat je ’t niet geleerd hebt.”

“Iets wat nooit wordt aangehaald, is heel moeilijk hè? Dus ik denk wel dat het belangrijk is dat daar [seksualiteit] op z’n minst een beetje notie voor is. En artsen attent maakt dat dat ook een belangrijke factor is waar aandacht voor moet zijn, of waar zeker de opening moet zijn om daarover te kúnnen praten.”
B.2Persoonlijke attitudes over seksualiteit
 “Als jong meisje kreeg ik van mijn moeder een soort filmpje [seksuele opvoeding] te zien wat geschikt was voor kinderen. Een soort animatiefilmpje. […] Vanuit huis… [werd verteld] dat… dat het vooral ook een plezier moet zijn. Ehm.. in je eigen lichaam. Dat het een plezierig iets is.”

“Ik heb mijn moeder wel eens om tips gevraagd [lacht] […] Ja. Daar gaf ze ook gewoon antwoord op, zonder… heel erg te blozen of ongemakkelijk te zijn. Ja.”
“Ik ben redelijk open opgegroeid. Niet dat alles daarom heel vaak expliciet benoemd werd of nagevraagd. Maar d’r was wel altijd de ruimte om dingen te bespreken als ik die zelf wou aanbrengen. […] Echt veel over seksualiteit werd er thuis niet gepraat. Maar ik had ook niet het gevoel: ik kán er niet over praten.”

“Ik wil hier [in het eigen gezin] toch wel [lacht] ‘t klimaat creëren da je daarmee bij mij terecht kunt. Dus ik denk dat ik wel ga proberen ’t toch ietsje meer te benoemen, of te vragen, zonder te veel achter hun veren te zitten.”
B.3Ervaren relatie van B.1 en B.2 op hoe seksualiteit (niet) besproken wordt met patiënten
 “Wat ik heb geleerd is dat ik wel probeer om mensen open te benaderen. En als er problemen zijn, dat ik ze de ruimte geef om erover te praten.”

“Het was een vrij… open onderwerp, thuis. Ik denk dat dat wel invloed heeft op hoe ik het zou wíllen benaderen. Hoe ik het daadwerkelijk doe, da’s nog een ander punt”

“Ik denk dat ’t inderdaad… wel een combinatie van alles is hè, van hoe je opgeleid bent, en hoe je er zelf in staat… hoe makkelijk het onderwerp dan is om zelf te bespreken.. […] Als je wat gereserveerder bent dan… maar ja goed, dan kun je het alsnog plastisch benaderen. Gewoon heel droog. Het zal zeker wel een rol spelen in hoe je over het onderwerp denkt. En handelen is nog een tweede [lacht].”
“Wat wij leren in onze opleiding over communicatie en zo, op ’t moment dat ik die lessen kreeg, was dat echt bedroevend eigenlijk. Dus daar heb ik zelf ’t gevoel dat ik daar weinig of niks aan gehad heb.[…] Dat hoe ik het doe [praten over seksualiteit], dat dat vooral iets is wat ik in mij had, en zo verder zelf een beetje heb geleerd door te kijken naar de mensen rondom mij die me hebben opgeleid en waarvan ik vond dat ze ’t goed deden, eerder dan dat mij dat echt is aangeleerd.”

“En dat patiënten ook wel ’t gevoel hebben dat ze dat kwijt kunnen. Dat ik heel open sta naar mijn patiënt […]. Ik denk dat ’t feit dat ik er niet over begin wel een beetje zal zijn om hoe ik ben opgevoed en ik dat uiteindelijk ook zo beleef. Maar ik denk wel dat ik open ben voor andere invalshoeken en voor patiënten. En dat ik hen daarin wel het gevoel kan geven dat het voor mij echt allemaal prima is.”
CHet bespreken van seksualiteit met patiënten in de praktijk
 “Ik heb nog niet specifiek een vraag gesteld aan een persoon, of die daarop vastliep, op dat gebied [seksualiteit]. En dan vraag je je af, hoe, hoe krijg ik dat onderwerp op tafel? Zonder dat het ongemakkelijk is.”

“Dan hoop ik, maar dat weet ik niet…  als ik de patiënten wat langer zie… als er echt een band komt met die mensen… dat zo’n onderwerp misschien makkelijker naar voren komt. Ik ben nu [een paar] jaar als reumatoloog werkzaam. Misschien… komt het pas als ik die mensen wat langer zie… en dan ook de ruimte voel om het te benoemen.”

“Nee dus je vraagt hoe het gaat, of ze pijn hebben, klachten, zwellingen… of ze de medicatie goed verdragen… sportbeperkingen… werk… dus dat vraag je allemaal wél na. […] Maar ik heb nog niet een… momentje gevonden waarin ik dat [seksualiteit] zou kunnen benoemen.”
“Als ik zo concreet begin na te denken, heb ik er gewoon eigenlijk geen zicht op. Dus dat is een teken dat we ‘t niet vragen, dat we ‘t niet weten, dat mensen ‘t spontaan ook niet vertellen. Maar misschien ook niet voelen dat die uitnodiging er is. Dat die opening er niet is om erover te beginnen.”

“Weinig of niet eigenlijk [wanneer gevraagd of participant zelf over seksualiteit begint]. […] ‘t Is dat je ’t mij vraagt dat ik erbij stilsta [lacht]. […] Ik vind het confronterend om te bedenken dat ik daar nooit naar vraag.”

“Ik merk als mensen er specifiek over beginnen, is dat vaak als je bezig bent met de raadpleging, en dan terwijl dat je aan het onderzoeken bent. Terwijl je bezig bent en wat aan ‘t babbelen bent, dan beginnen ze daarover. Als ze voelen: dit is een goed moment en nu kunnen we dat op ons gemak bespreken. Maar als daar dan nog iemand extra bij zit […] maakt dat ’t al weer moeilijker een ingang te vinden, vind ik.”

Tabel 2. Representatieve citaten.

Participant 5Participant 12
AHoe deelnemende artsen het spreken met patiënten over seksualiteit ervaren
 “Ik vind het… moeilijk. Omdat ik er geen respons op heb. […] Ze [patiënten] komen bij jou en dan hebben ze altijd het gevoel dat je als arts.. allee, de waarheid in pacht hebt misschien niet, maar heel veel weet en dat je op alles een antwoord kunt bieden bijna.. […] Of dat gevoel… krijg ik dan soms toch… en je voelt jezelf eigenlijk… niet toereikend om daar [seksuele problemen] iets mee te kunnen doen. Dus in die zin confronteert je dat en je wordt niet graag geconfronteerd met je eigen beperkingen.”“Ik heb niet ’t gevoel dat dat moeilijk verloopt. […] Als het onderwerp er is, kan ik daar ook wel vrijuit over spreken en de patiënt ook, heb ik het gevoel. ’t Is ook weer niet zo dat dat systematisch of heel vaak ter sprake komt hè. […] Als een patiënt ’t ter sprake brengt, wordt daar wel redelijk vlot over gepraat. ’t Is niet zo dat ik daar niet op reageer of niet over durf praten. Nee, dan geef ik gewoon uitleg of antwoorden op wat hun vraag is, hè natuurlijk. […] Nee, ik heb niet het gevoel dat het heel moeilijk verliep. Want dat veronderstelt dan dat ik het ter sprake breng en dat de patiënt er dan niet wil op ingaan.”
B.1Professionele attitudes over seksualiteit
 “Eigenlijk zien wij [dat] heel weinig doen door de supervisoren, als assistenten. […] Dus in die zin, is de cultuur… in Vlaanderen denk ik, en in X [opleidingsplaats] zeker, niet zo dat wij heel veel zien van wat onze supervisoren doen […] en de supervisoren zien ook niet zo heel goed wat wij eigenlijk precies doen. […]”

“Als reumatoloog… een type arts dat ik probeer te zijn… is iemand die probeert vrij holistisch te kijken… […] naar de beleving in het algemeen…  […] In essentie lijkt mij dat [praten over seksualiteit] wel een taak die bij dat pakket zou moeten zitten. Misschien niet om dat gesprek ten volle aan te gaan maar wel om een soort van screening te doen: is daar een noodzaak? En hoe kunnen we die patiënt verder verwijzen?”

“Ja ik zou misschien ook een keer iets moeten… proberen te lezen of iets te volgen erover inderdaad. Om daar ook een beetje meer [over]… te weten. Want het punt… zoals ik daarjuist al zei: ik zou wel graag weten van als ik dat bevraag, en d’r komt iets uit, wat dan de volgende stap is, of welk advies dat je de patiënt kunt geven.”
“Oh, in mijn opleiding? Daar [seksualiteit] is helemaal niks over geleerd. […] Ik weet niet of het nu aan bod komt, dat weet ik helemaal niet. Maar nee, wat mij betreft, neen. […] Het is een heel delicaat onderwerp en het is zeer moeilijk om daar eigenlijk les over te geven.”
 
“Ah, nee nee, [gevraagd of seksualiteit een taboeonderwerp was in de geneeskundeopleiding]. Ook in die tijd, nee nee. Absoluut niet. ’t Is nu ook geen taboe hè. Als mensen een vraag hebben of een probleem, dan vragen ze. Ik weet niet of ze dat altijd durven of altijd doen. Maar dat wordt af en toe weleens gevraagd en dan wordt daarover gewoon gesproken.”
B.2Persoonlijke attitudes over seksualiteit
 “Eh, vanuit mijn… familie, mijn gezin… heel weinig eigenlijk. Er werd daar [over seksualiteit] niet zo heel veel over gesproken. […] Het is nooit in mij opgekomen om dat te vragen ook, eerlijk gezegd [lacht]. Maar ik moet zeggen dat ik sowieso met mijn ouders niet zo’n heel goeie… gesprekscultuur heb onderhouden, nooit.”“Ik denk dat het [seksualiteit] een heel belangrijk aspect is van het relationele  leven, van iedereen. Waarmee ik niet gezegd heb dat ik vind dat iedereen seks moet hebben, dat iedereen altijd… absoluut niet hè. Want ik denk dat het heel belangrijk is om daar kritisch en eh… exclusief in te zijn.”
 
“Men kan een perfect leven leiden zonder seksualiteit. Daar ben ik ook van overtuigd. […] Ik denk dat we voorzichtig moeten omspringen met seksualiteit. En seksualiteit iets is dat… vol deel uitmaakt van het wezenlijke van iemand. Dat we daar ook met een zekere eerbied over moeten spreken. En dat we daarin mensen moeten respecteren.”
B.3Ervaren relatie van B.1 en B.2 op hoe seksualiteit (niet) besproken wordt met patiënten
 “Het feit dat ik er zeer weinig tot niets heb over geleerd [over seksualiteit in de geneeskundeopleiding] zorgt ervoor dat ik er ook zeer weinig of niet naar peil.” ‘
 
“Het is voor mij zelf iets is waar ik weinig met mijn ouders of mijn vrienden over sprak… dus waar ik vooral… binnen de relatie over spreek. En… dat dat waarschijnlijk ook.. een stuk reflecteert dat ik daar [seksualiteit] misschien ook […] minder gemakkelijk met patiënten zal over beginnen, inderdaad…”
“Ja, spreken over seksualiteit is altijd vanuit een eigen overtuiging, of vanuit een eigen kader hè dat men voor zich heeft opgebouwd in al die jaren. Waarbij zeker contacten met patiënten, maar ook met andere mensen een rol spelen. Men kan maar daarover spreken vanuit z’n eigen.. ja, paradigma, als ik het zo mag zeggen. […] Want seksualiteit is zo persoonlijk. Men kan alleen maar spreken over seksualiteit vanuit eigen achtergrond hè.”

“Als ik het ter sprake breng, doe ik het op een voorzichtige manier en probeer ik ook te voelen hoe de mensen daar dan tegenover staan en hoe dat zij daarover willen communiceren met mij.”
CHet bespreken van seksualiteit met patiënten in de praktijk
 “Maar ik moet eigenlijk, misschien al direct toegeven dat ik daar niet zo heel actief naar vraag. En dat dus, de gesprekken over seksualiteit bij een consultatie eigenlijk heel triest zijn, vrees ik.”
 
“Ik vind dat dat heel weinig aan de orde komt. Dus patiënten beginnen daar niet vaak zelf over en gezien ik er zelf ook niet over begin… zijn die gesprekken maar heel sporadisch.”
 
“Ja dus seksualiteit wordt niet ter sprake gebracht [door de patiënt], er worden eerder de medische vragen gesteld, dus: zwangerschapswens, anticonceptie bij bepaalde medicatie… vaginale droogte bij Sjögren syndroom, da’s.. meer de vraag van hoe is het medische beeld, eerder dan echt over die seksualiteit te gaan praten.[…] Ja zoals ik zei, ik doe dat eigenlijk vrij… vrij afgelijnd medisch.”
“Ik ben niet de persoon om eh… heel veel uitleg te geven of heel veel details aan de mensen te vragen. Dat doe ik niet hè. […] En er moet al een zekere vertrouwelijkheid zijn en de mensen moeten ook al voelen dat er naar hun geluisterd wordt. […] Mensen… gaan dat ook niet zo makkelijk, heb ik het gevoel, ter sprake brengen.”
 
“De geneeskunde wordt in België, enfin misschien in andere landen ook, bedreigd door het tijdgebrek van de dokters. Ik voel dat ook. ’t Wordt altijd maar complexer op louter lichamelijk gebied. Wat betekent dat we al aan zo veel dingen moeten denken en vragen en uitleggen aan mensen. En als je dan natuurlijk nog een beetje op een relaxte en empathische manier over andere dingen wil spreken, zoals seksualiteit, ja, dat is bijna niet mogelijk. […] Misschien als je inderdaad mensen chronisch ziet, maar toch, er is altijd zoiets als een soort van drempel. Dus men gaat niet onmiddellijk daarover van wal steken bij binnenkomen.”

Abstract

Objectives: While chronic inflammatory rheumatic diseases can have a large impact on patients’ sexual well-being, sexual problems are not addressed in standard clinical practice. This study explores if and how rheumatologists perceive any influence of personal and professional attitudes on the way they talk about sexuality.
Methods: This was a qualitative study employing semi-structured interviews. A flexible pattern matching technique was used to explore patterns in barriers that participants encounter in addressing sexuality
Results: Eleven out of 12 rheumatologists rarely or never brought up the subject of sexuality with their patients unless there was an obvious, mostly medical reason. Most were uncertain whether patients want them to raise this topic and half of them were unsure if they will have something useful to offer to patients if they do. Seven stated they discussed sexuality relatively comfortably with their patients as long as they bring it up. A combined influence of culture, personal and professional attitudes, and their medical education was perceived inhibiting
Conclusion: By not addressing sexuality, rheumatologists neglect an important factor in their patients’ well-being. Steps need to be taken on an organisational and individual level to ensure that sexuality becomes a structural part of rheumatologists’ assessment, answering patients’ needs.

Keywords: chronic rheumatic disease, sexual health, rheumatologists, attitude, qualitative study.

Referenties

  1. Verschuren JE, Enzlin P, Dijkstra PU, Geertzen JH, Dekker R. Chronic disease and sexuality: a generic conceptual framework. J Sex Res 2010;47(2):153-70.
  2. Traumer L, Jacobsen MH, Laursen BS. Patients’ experiences of sexuality as a taboo subject in the Danish healthcare system: a qualitative interview study. Scand J Caring Sci 2019;33(1):57-66.
  3. Urry K, Chur-Hansen A, Khaw C. ‘It’s just a peripheral issue’: A qualitative analysis of mental health clinicians’ accounts of (not) addressing sexuality in their work. Int J Ment Health Nurs 2019;28(6):1278-87.
  4. Dyer K, das Nair R. Why don’t healthcare professionals talk about sex? A systematic review of recent qualitative studies conducted in the United kingdom. J Sex Med 2013;10(11):2658-70.
  5. O’Connor SR, Connaghan J, Maguire R, Kotronoulas G, Flannagan C, Jain S, et al. Healthcare professional perceived barriers and facilitators to discussing sexual wellbeing with patients after diagnosis of chronic illness: A mixed-methods evidence synthesis. Patient Educ Couns 2019;102(5):850-63.
  6. McGrath M, Low MA, Power E, McCluskey A, Lever S. Addressing Sexuality Among People Living With Chronic Disease and Disability: A Systematic Mixed Methods Review of Knowledge, Attitudes, and Practices of Health Care Professionals. Arch Phys Med Rehabil 2021;102(5):999-1010.
  7. Savel C, Cherillat MS, Berland P, Tronche AM, Soubrier M, Gerbaud L, et al. French survey on the crossed needs on sexual health for chronic inflammatory rheumatism patients and healthcare professionals. Rheumatol Int 2020;40(9):1481-91.
  8. Traa MJ, de Vries J, Roukema JA, Rutten HJ, den Oudsten BL. The sexual health care needs after colorectal cancer: the view of patients, partners, and health care professionals. Support Care Cancer 2014;22(3):763-72.
  9. Helland Y, Dagfinrud H, Haugen MI, Kjeken I, Zangi H. Patients’ Perspectives on Information and Communication About Sexual and Relational Issues in Rheumatology Health Care. Musculoskeletal Care 2017;15(2):131-9.
  10. Canzona MR, Ledford CJW, Fisher CL, Garcia D, Raleigh M, Kalish VB. Clinician barriers to initiating sexual health conversations with breast cancer survivors: The influence of assumptions and situational constraints. Fam Syst Health 2018;36(1):20-8.
  11. Komlenac N, Hochleitner M. Predictors for Low Frequencies of Patient-Physician Conversations Concerning Sexual Health at an Austrian University Hospital. Sex Med 2019;8(1):100-106.
  12. Helland Y, Garratt A, Kjeken I, Kvien TK, Dagfinrud H. Current practice and barriers to the management of sexual issues in rheumatology: results of a survey of health professionals. Scand J Rheumatol 2013;42(1):20-6.
  13. Bay LT, Graugaard C, Nielsen DS, Moller S, Ellingsen T, Giraldi A. Sexual Health and Dysfunction in Patients With Rheumatoid Arthritis: A Cross-sectional Single-Center Study. Sex Med 2020;8(4):615-630.
  14. Bender J, Höing M, Van Berlo W, et al. Is revalidatie aan seks toe? Revalidata 2004;121:22–26.
  15. Kedde H, Van de Wiel HBM, Weijmar Schultz WCM, et al. Sexual health problems and associated help-seeking behavior of people with physical disabilities and chronic diseases. J Sex Marital Ther 2012;38:63–78.
  16. Pieters R, Kedde H, Bender J. Training rehabilitation teams in sexual health care: A description and evaluation of a multidisciplinary intervention. Disabil Rehabil 2018;40(6):732-9.
  17. Fennell R, Grant B. Discussing sexuality in health care: A systematic review. J Clin Nurs 2019;28(17-18):3065-76.
  18. Wentzell E, Labuski C. Role of Medical Anthropology in Understanding Cultural Differences in Sexuality. Cham: Springer International Publishing; 2020. p. 23-35.
  19. Rashidian M, Minichiello V, Knutsen S, Ghamsary M. Western, Asian, and Middle Eastern Societies’ Cultural Attitudes and Barriers Impacting the Management of Sexual Health Care. Cham: Springer International Publishing; 2020:165-82.
  20. White ID, Faithfull S, Allan H. The re-construction of women’s sexual lives after pelvic radiotherapy: a critique of social constructionist and biomedical perspectives on the study of female sexuality after cancer treatment. Soc Sci Med 2013;76(1):188-96.
  21. Murphy M. Everywhere and nowhere simultaneously: The ‘absent presence’ of sexuality in medical education. Sexualities 2019;22(1-2):203-23.
  22. Sinkovics N. The Sage Handbook of Qualitative Business and Management Research Methods: Methods and Challenges. Ringgold, Inc; 2018.

Keywords: chronic rheumatic disease, sexual health, rheumatologists, attitude, qualitative study.

Trefwoorden: reumatische aandoening, seksuele gezondheid, attitude, reumatologen, kwalitatief onderzoek