10 april 2026

Opinie-artikel

Seksuele rechten zijn mensenrechten. Ze geven iedereen het recht om veilig keuzes te maken over seksualiteit: vrij van dwang en discriminatie. Dit omvat toegang tot informatie, privacy, lichamelijke autonomie en de vrijheid om seksueel actief te zijn. Ook reproductieve rechten vallen hieronder, zoals vastgelegd in internationale verdragen. Voor mensen met een beperking is het echter niet vanzelfsprekend om seksualiteit te beleven op een manier die bij hen past. Soms is ondersteuning nodig.

Auteurs
J.C. ( JACQUELINE) KOOL MA

Onderzoeker Universiteit voor Humanistiek en bestuurslid Tiresias

Y. (YMKE) KELDERS MA
Portfoliomanager Educatie, Rutgers, expertisecentrum seksualiteit

Lange tijd waren intieme relaties en seksualiteit van mensen met een beperking nauwelijks zichtbaar of bespreekbaar, in Nederland en de rest van de Westerse wereld. Tot in de jaren zestig werden zij vaak uit het openbare leven gehouden en gezien als aseksueel, juist oversekst of probleemdragers. Vooral mensen met een verstandelijke beperking werden benaderd vanuit een kinderlijk, beschermend perspectief, waardoor hun relationele en seksuele autonomie sterk werd ingeperkt. Binnen de belangenbeweging kregen werk en toegankelijkheid lange tijd prioriteit boven seksualiteit en relaties.

Vanaf de jaren zeventig kwam er meer aandacht voor hun seksuele en relationele verlangens. Publicaties zoals Wij zijn niet van steen1 en initiatieven van onder andere de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) en SOG-werkgroepen (Socio-seksuele Ontwikkeling jeugdige Gehandicapten) stimuleerden mentaliteitsverandering, een positiever zelfbeeld en betere sociale voorwaarden voor seksuele ontwikkeling. In de jaren tachtig volgde aandacht voor seksuele dienstverlening, wat leidde tot initiatieven zoals de Stichting Alternatieve Relatiebemiddeling (SAR). Dit droeg bij aan bewustwording, maar dit leidde niet tot brede structurele politieke verandering.

In de jaren negentig verschoof de focus naar het voorkomen van seksueel misbruik in zorgrelaties en instellingen moesten beleid ontwikkelen. Onderzoek richtte zich vooral op risico’s en problemen; seksualiteit werd zelden gezien als mensenrecht of onderdeel van kwaliteit van leven. Hierdoor bleef samenhangend beleid uit en het taboe bestaan, met als gevolg een beperkte toegang tot informatie, educatie, privacy en passende faciliteiten voor mensen met een beperking en onzekerheid bij zorgprofessionals.

VN-verdrag Handicap

Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap werd in 2006 vastgesteld en in 2016 door Nederland geratificeerd. Sindsdien is Nederland verplicht het verdrag te vertalen naar beleid. Het is een mensenrechtenverdrag dat gelijke behandeling en volwaardige participatie van mensen met een beperking of chronische aandoening op alle levensgebieden bevordert.

Hoewel seksualiteit in eerdere conceptversies expliciet werd genoemd, is deze verwijzing na lobby van conservatievere landen vervallen. De nadruk kwam daardoor meer te liggen op reproductie en gezinsleven, waardoor andere aspecten van seksualiteit minder zichtbaar zijn. Toch maakt seksualiteit onlosmakelijk deel uit van mensenrechten: het is een basisbehoefte en, zoals de WHO stelt, een centraal aspect van het menselijk leven. Daarmee is seksualiteit impliciet verankerd in het VN-verdrag en in internationale en Europese afspraken over seksuele en reproductieve rechten.

Meerdere artikelen bieden aanknopingspunten om seksualiteit concreet uit te werken. Bijvoorbeeld artikel 23 gaat over eerbiediging van het gezinsleven en bescherming tegen discriminatie bij huwelijk, relaties, ouderschap en reproductieve keuzes. Artikel 25 erkent het recht op gezondheid als het hoogst haalbare niveau, inclusief toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg.

‘Seksualiteit hoort bij
inclusie en maakt deel uit van
volwaardig burgerschap’

Kernbegrippen van het verdrag zijn participatie, eigen regie en het tegengaan van discriminatie. Ook het vormgeven van de eigen seksualiteit hoort daarbij en draagt bij aan kwaliteit van leven en inclusie; seksualiteit maakt deel uit van volwaardig burgerschap. Belangrijk is bovendien het principe nothing about us, without us: mensen met een beperking moeten betrokken worden bij ontwikkeling, uitvoering en monitoring van beleid.

Internationaal bieden richtlijnen van de WHO en het VN-verdrag dus belangrijke kaders voor erkenning van seksualiteit en intimiteit als mensenrecht. In Nederland kreeg dit pas uitwerking na diverse kamermoties, die leidden tot onderzoek en in 2023 tot een beleidsvisie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Daarmee keert aandacht voor seksualiteit van mensen met een beperking voorzichtig terug op de politieke en maatschappelijke agenda, met eerste aanzetten tot samenwerking tussen stakeholders.

Knelpunten in vogelvlucht

Een mensenrechtenbenadering is belangrijk: onderzoek toont dat er veel knelpunten op verschillende niveaus zijn en ondersteuning niet vanzelfsprekend is. Julia Bahner deed langlopend onderzoek naar het VN-verdrag en de betekenis van ‘seksueel burgerschap’ voor mensen met beperkingen in Zweden, Engeland, Nederland en New South Wales (Australië).2 Zij onderzocht hoe beleid en zorgorganisaties mensen met fysieke beperkingen kunnen ondersteunen bij een seksueel leven passend bij hun wensen. Ze sprak met belangenorganisaties, beleidsmakers en aanbieders van seksuele dienstverlening. Bahner onderscheidde vier belangrijkste barrières voor adequate ondersteuning:

  1. De houding van (zorg)professionals ten opzichte van seksualiteit en beperking.
  2. Gebrek aan beleid op dit terrein.
  3. Gebrek aan toegankelijke en passende informatie.
  4. Angst en schaamte bij mensen met beperkingen zelf.

Recente Nederlandse onderzoeken in opdracht van het Ministerie van VWS (2021-2024) en een verkenning door het College voor de Rechten van de Mens3 bevestigen deze knelpunten. Vooral binnen de gehandicaptenzorg doen zich specifieke problemen voor. Bewoners ervaren bijvoorbeeld onvoldoende privacy om een partner te ontvangen en beperkte toegang tot seksuele voorlichting of datingapps. Onderzoeken signaleren ook ernstige situaties, zoals mogelijk verplichte anticonceptie of sterilisatie zonder toestemming. Professionals buiten de gehandicaptenzorg, zoals huisartsen en GGD’en, beschikken bovendien niet altijd over voldoende kennis rond seksualiteit en beperking. Het heersende taboe kan leiden tot een negatief zelfbeeld en zelfstigma, waardoor mensen het gevoel hebben geen volwaardige keuzes te kunnen maken over relaties en seksualiteit. Vrouwen en meiden met een beperking ervaren extra knelpunten. Zij hebben vaker te maken met vooroordelen en stereotyperingen als aseksueel of hyperseksueel. Daarnaast is toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg beperkt, bijvoorbeeld door onbruikbare gynaecologische stoelen of informatiemateriaal dat voor hen niet toegankelijk door de hoeveelheid tekst.

Ondanks recente onderzoeken blijft veel onbekend. Beleidsonderzoek vanuit VWS richt zich vooral op mensen in langdurige gehandicaptenzorg – veelal met (ernstige) verstandelijke beperkingen – waardoor 90% van de doelgroep buiten beeld blijft. Bovendien wordt seksualiteit vaak benaderd vanuit een risico- of zorgkader, zoals het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, terwijl positieve seksualiteit en relaties weinig aandacht krijgen. Een intersectionele blik, zoals kijken naar lhbtiqa+ personen, culturele diversiteit of mensen die zich niet verbaal kunnen uitdrukken, blijft eveneens onderbelicht.

‘Aandacht voor plezier
en eigenaarschap van je eigen
lichaam zijn essentieel’

De implementatie van het VN-verdrag Handicap fungeert in de praktijk zelden als kader voor toegang tot ondersteuning. Bestaand beleid kan daardoor ongelijkheid juist in stand houden. Voorbeelden zijn afwijzingen van vergoeding voor sekszorg via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), terwijl dit voor sommige mensen de enige toegang tot fysieke intimiteit is, en onzekerheid over Wmo-ondersteuning bij samenwonen of opvoeding. Deze beperkingen staan vrije deelname aan relaties en intimiteit in de weg en zijn niet in lijn met de rechten uit het VN-verdrag. In de Werkagenda VN-verdrag 2025-2030 wordt artikel 23 en de beleidsvisie rondom intimiteit en seksualiteit nauwelijks uitgewerkt; het thema wordt uitsluitend gekoppeld aan veiligheid en het voorkomen van grensoverschrijdend gedrag.

Seksualiteit faciliteren

In 2021 onderzochten Rutgers, expertisecentrum seksualiteit, en belangenorganisatie Tiresias de mogelijkheden in Nederland om mensen met een beperking te ondersteunen bij hun behoefte aan intimiteit en seksualiteit.4 Uitgangspunt was het werk van Julia Bahner. In haar boek Sexual citizenship and disability (2020) beschrijft zij wat faciliteren van seksualiteit inhoudt. Vaak wordt vooral gedacht aan het regelen van (betaalde) seksuele diensten. Het behelst echter veel meer, zoals toegankelijke informatie bieden, sociale interactie faciliteren, het creëren van privacy, en voorbereidende handelingen zodat mensen intiem contact kunnen hebben of kunnen experimenteren. Bahner ontwikkelde een model om seksuele ondersteuning te structureren:

  1. Niet-intieme voorbereiding: voorlichting en privacy waarborgen.
  2. Intieme voorbereiding: aanschaf erotische producten, sociale interactie stimuleren.
  3. Intimiteit faciliteren: hulp bij seksuele handelingen, posities en seksuele dienstverlening.
  4. Niet-intieme hulp na de seks: hygiëne en nazorg.

Dit model biedt een bruikbare leidraad voor beleid en voor hulpverlening. Binnen revalidatiegeneeskunde verdienen seksualiteit en intimiteit structureel aandacht. Niet alleen omdat het belangrijke aspecten van gezondheid en welzijn betreft, maar ook omdat ze een mensenrecht zijn en samenhangen met inclusie. De genoemde knelpunten vragen om beleid, zowel over de plek van seksualiteit in zorgplannen als in scholing van medewerkers. Cliënten hebben recht op passende informatie en behoefte aan ruimte om (opnieuw) te ontdekken hoe seksualiteit en intimiteit vorm kunnen krijgen passend bij wie zij nu zijn. De verschillende stappen waarin ondersteuning gewenst kan zijn verdienen daarbij aandacht, in overeenkomst met hulp bij andere dagelijkse activiteiten of sociale toegankelijkheid. Het belangrijkste is dat seksualiteit in positieve zin wordt erkend en besproken wordt en niet alleen als (medisch) probleem. Aandacht voor plezier en eigenaarschap over het eigen lichaam zijn daarbij essentieel.5 Revalidatieartsen kunnen, net als andere disciplines in de zorg, een positieve rol spelen door het onderwerp zelf te normaliseren als deel van hun repertoire.

Om het structurele recht op seksueel burgerschap in Nederland te realiseren, is het belangrijk knelpunten verder in kaart te brengen en duidelijk te maken hoe inclusieve ondersteuning en beleid vorm krijgen. Dit vraagt een strategische, langetermijnaanpak waarin gemeenten, overheid, onderwijs, zorgaanbieders zoals revalidatiegeneeskunde en belangenorganisaties hun rol oppakken. Rutgers en Tiresias willen dit proces graag stimuleren.

Referenties

  1. Heslinga K, Schellen AMCM, Verkuyl A. Wij zijn niet van steen. Seksuele problematiek van de gehandicapte mens. Leiden: Stafleu, 1972.
  2. Bahner J. Sexual citizenship and disability: Understanding sexual support in policy, practice and theory. Routledge, 2020.
  3. College voor de Rechten van de Mens (2025). https://www.mensenrechten.nl/actueel/weblogs/toegelicht/2025/vrijheid-voor-mensen-met-een-beperking-om-relaties-aan-te-gaan-nog-niet-goed-beschermd.
  4. Kool J, Kelders Y, van Kampen L. Faciliteren van seksualiteit en intimiteit voor mensen met een beperking: een inventarisatie van de ondersteuningsmogelijkheden in Nederland. Utrecht/Bergen op Zoom: Tiresias en Rutgers, in opdracht van Ministerie van VWS, 2021.
  5. Blockmans I. Manoeuvres in the dark: Re-creating (new) stories about sexuality and the body within/by women with a spinal cord injury (Doctoral dissertation, Ghent University), 2019.