6 oktober 2026

Sporten, ik geloof dat ik daarin meer op mijn moeder lijk dan op mijn vader. Liever een marathonvoorstelling van vijf uur in een willekeurig theater dan een uur in de fitnesszaal. Nou goed, van fietsen kan ik wel genieten. Lekker in de buitenlucht, je ziet nog eens wat, je mijmert een beetje. En toch sport ik sinds kort in een fitnesszaal. Dat moet ik even uitleggen.

Terwijl ik dit schrijf rond ik een revalidatietraject af van krap een halfjaar. Voor ik aan dat traject begon, had ik al het idee opgevat om te gaan boksen. Want de zomer ervoor had ik een coachtraject gehad, waarin me te kennen werd gegeven dat ik best wat mannelijker mocht worden. Niet zo verwonderlijk, in mijn opvoeding hebben vrouwen een grotere rol gespeeld dan mannen. En door mijn handicap heb ik ook nooit echt de plekken opgezocht waarin je ‘mannelijkheid’ wordt aangesproken. Je bezatten met wat maten in de kroeg, hardgaan op een festival: het is nooit aan mij besteed geweest.

Wat is dat, mannelijkheid?

Mannelijker mocht ik dus worden, maar hoe? Ineens had ik het: boksen, dat leek me nog leuk ook! En dus gaf ik tijdens de intake voor de revalidatie aan dat ik ook wilde gaan boksen. Zowaar: er bleek daar een fysiotherapeut te zijn die ook boksles geeft. De eerste les was al meteen een succes. Niet alleen om de sport, maar ook om het gesprek. Bij het uitrusten tussendoor kwam het gesprek al gauw op andere zaken. Wat is dat, mannelijkheid? Maar ook: hoe kan ik meer uit mijn schulp kruipen op relatiegebied? De sport zorgt ervoor dat ik mezelf sterker durf te uiten, het gesprek maakt de vertaalslag naar de dagelijkse praktijk. Het had daarmee precies de therapeutische uitwerking die ik erin zocht.

Maar ja: zo’n revalidatie loopt op z’n einde, en daarmee ook de boksles met die fijne therapeut. Ik moest op zoek naar een fysiotherapeut in de eerste lijn. Daar heb ik nou niet meteen goede ervaringen mee. Ik heb het idee dat het daar meer om symptoombestrijding gaat, dan dat ze mijn handicap echt snappen en bezig zijn met de wortel van mijn probleem.

Met enige reserve zette ik toch maar koers naar de eerste lijn. Ik parkeerde mijn driewielligfiets bij de fysiotherapiepraktijk bij mij in de buurt. “Die heeft zeker een trapondersteuning”, liet de therapeut vallen tijdens de intake. Nou, nee dus. Aan het einde van de afspraak vertelde hij me dat deze lessen zouden plaatsvinden in een fitnesscentrum. Hè verdorie, de fysiotherapiepraktijk had net een gemoedelijk kleine sportruimte.

Zo belandde ik een week later op de plek die ik eigenlijk verafschuw.
Groot, masculien, weinig sympathiek.

Zo belandde ik een week later op de plek die ik eigenlijk verafschuw. Groot, masculien, weinig sympathiek. De fysiotherapeut had op mijn verzoek wel gebeld met de therapeut in het ziekenhuis voor een overdracht, maar daar was tijdens de les weinig van te merken. Een pauze moest ik zelf maar aangeven. Daarnaast was de fysiotherapeut van mening dat alleen boksen saai is, en dat het nuttig is om via een circuitje wat aan mijn coördinatie te doen. En het is ook wel een goed idee, maar het zijn precies die oefeningen waarin ik mijn lichaam op z’n kwetsbaarst moet tonen. Overweldigd en ietwat ontstemd fietste ik een half uur later weer naar huis. Zo was boksen voor mij niet leuk meer.

Inmiddels heb ik mijn tweede les gehad en heb ik mijn beeld al wat bijgesteld. De stuurse baliemedewerker van het centrum bleek minder stuurs dan gedacht, de andere sporters minder macho en de fysiotherapeut had ook beter door wat de bedoeling is. Zeker toen ik de eigenlijke reden voor het boksen uitlegde, namelijk het mentale aspect. “Ja, oké, maar je doet het ook om een conditie op te bouwen, toch?” Ja, maar nee.

Het gaat dus de goede kant op, maar dan denk ik wel: wat zou het fijn zijn als de tweede en eerste lijn aan goede overdracht doen. Dat ik niet zelf hoef te vragen of de een de ander belt. Dat ik in de eerste lijn niet weer mijn verhaal hoef te doen. En vooral: dat ik niet de assertiviteit hoef te hebben om aan te geven welke kant ik op wil met de boksles. Het punt is: in de tweede lijn, is mijn ervaring tenminste, wordt er aardig meegedacht. Word je eigenlijk aan het handje meegenomen. Maar in de eerste lijn gebeurt dat minder, waardoor de overgang tussen de tweede en eerste lijn daardoor groot kan zijn. Je moet je ineens zelf zien te redden. Die overgang kan volgens mij best wat soepeler.

Maar ja, je wordt er wel een man van.

Auteur

Thijs de Lange

Thijs de Lange (1997) is dagvoorzitter, moderator, tekstschrijver, adviseur en ervaringsdeskundige met een lichte vorm van Cerebrale Parese.

Gerelateerde blogs

Teamwork makes the dream work

Schaamte