26 mei 2026

Als ergotherapeut stimuleer ik revalidanten altijd om mensen uit hun omgeving mee te nemen naar de revalidatie. Toch moet ik even slikken als ik zie dat Karin vandaag niet alleen haar man, maar ook haar 11-jarige zoon heeft meegenomen.

Leven op zijn kop

Karin heeft twee kinderen van 17 en 11 jaar en een stabiele, nuchtere partner. Ze werkt 3,5 dag bij de kinderopvang en houdt thuis het overzicht: ze zorgt iedere dag dat er eten op tafel staat en dat de kinderen op tijd bij sport en hobby’s komen. Ze is de spil van het gezin. Totdat ze op eerste kerstdag een beroerte krijgt. Dan begint haar zoektocht naar wat ze nog wel en niet kan. De eerste keer dat ze bij mij kwam, zei ze meteen: ‘Ik heb echt zitten wachten op deze afspraak, zo fijn dat de ergotherapie nu start.’ 

Start van het traject

We doorlopen de diagnostische fase met kennismaken, assessments en uitleg. Bijna iedere week geeft ze aan dat ze fysiek echt vooruitgang merkt, maar ieder weekend tegen haar mentale grenzen aanloopt. Ze is vooral heel moe en heeft last van prikkels.

Hoe ga ik dit helder uitleggen voor een 11-jarige?

Begrijpelijk uitleggen

Nu zit ze voor me, met haar man en zoon. De jongen vindt het zichtbaar spannend en wil liever bij zijn vader zitten dan op een eigen stoel. We gaan in gesprek en Karin vertelt dat hij zelf mee wilde. Als ik vraag of hij een beetje begrijpt wat er met zijn moeder is gebeurd, knikt hij twijfelachtig en komen er direct tranen omhoog. Zijn moeder vraagt hem of ik hem wat mag uitleggen, maar hij schudt zijn hoofd. Hij wil geen uitleg, dat vindt hij veel te spannend. Karin vertelt hem dat ik het wel heel begrijpelijk kan uitleggen. Ze vraagt of we het toch kunnen proberen. Hij stemt in. Mijn hersenen maken overuren: hoe ga ik dit aanpakken? Hoe ga ik eerlijk zijn? Hoe ga ik dit helder uitleggen voor een 11-jarige? En hoe ga ik, in haar moeilijke zoektocht waar het hele gezin mee te maken heeft, hoop geven?

Verdrietige tranen

Ik besluit ons hersenmodel erbij te pakken (en mezelf even tijd te geven). Ook zoek ik wat papieren bij elkaar die we vanuit de ergotherapie gebruiken om uitleg te geven. Dan bedenk ik dat een kind van 11 een ander kennisniveau heeft dan de gemiddelde volwassene die ik tegenover me heb. Ik zoek een afbeelding op internet waar het hart, de hersenen en alle bloedvaten in het lichaam te zien zijn. Ik leg hem uit hoe ons hart bloed rondpompt in ons lijf en ons brein en hoe de hersenen álles voor ons regelen. Hij knikt begrijpend.

Ik vertel verder en gebruik een metafoor van het wegennetwerk om uit te leggen dat zijn moeder gelukkig alles nog wel kan (en ze dus op alle wegen kan komen), maar dat alles iets moeilijker is geworden. Zo kan ze bijvoorbeeld niet meer over de snelweg naar een uitwedstrijd rijden, maar moet ze over alle kleine wegen rijden. De slimme jongen merkt op dat ze er dus langer over doet. Precies! En ze wordt daardoor ook sneller moe, vul ik aan. Ze zal dus eerder moeten tanken.

Gedurende de uitleg, waar ik gelukkig een uur de tijd voor kan nemen, zie ik verdrietige tranen. Als ze bij hem ontstaan, komen ook de tranen bij Karin. En als Karin huilt, huilt haar zoon ook. Ondertussen troost vader beide: hij heeft zijn ene arm stevig om zijn zoon geslagen en zijn andere hand ligt rustig op haar been. 

Lieverd, dit zijn blije tranen. Ik ben blij dat ik hier mag blijven en aan mijn herstel mag werken!

Blije tranen

Als de sessie bijna voorbij is, vraagt Karin hoe het ergotherapeutisch traject er verder uitziet. Ze is namelijk al zes weken in behandeling, en we hebben “alleen nog maar” de diagnostische fase doorlopen. Daarnaast heeft ze begrepen dat een gemiddeld traject 12 weken duurt.  Ik vertel haar dat ik dat nog niet weet. We gaan binnenkort de ergotherapeutische diagnose en de doelen opstellen, daarna kan ik een inschatting maken van de duur van het traject. De diagnostische fase duurt soms lang. Maar ik neem hier bewust de tijd voor. Het is zo belangrijk om iemand goed te horen en goed te leren kennen. Om uit te zoeken waar de kern van het probleem ligt en dat zij én haar omgeving begrijpen wat er precies aan de hand is.

Daarna gaan we echt aan de slag, leg ik haar uit, dan gaan we stappen maken. Natuurlijk heb ik haar al wat kleine tips gegeven, maar het echte werk komt nog. Karin schiet vol. Haar zoontje schrikt en schiet ook vol. Maar nu zegt zijn moeder: ‘Lieverd, dit zijn blije tranen. Ik ben blij dat ik hier mag blijven en aan mijn herstel mag werken!’ 

Ik moest even slikken toen de 11-jarige jongen binnenkwam. Nu denk ik: fijn dat hij erbij was en wat mooi om te zien hoe dit gezin elkaar steunt in verdrietige én blije tranen.

Auteur

Aafke Ruiter

Aafke Ruiter is ergotherapeut bij het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam en Spijkenisse.

Gerelateerde blogs