Tien vragen aan prof. dr. Jan Geertzen
Op vrijdag 24 april 2026 gaf prof. dr. Jan Geertzen, hoogleraar revalidatiegeneeskunde in het Universitair Medisch Centrum Groningen, zijn afscheidscollege ter ere van zijn emeritaat, met als titel ‘De benen nemen’. Jan Geertzen heeft zich als hoogleraar vooral gericht op het aandachtsgebied amputatie en prothesiologie. Om stil te staan bij zijn emeritaat stellen we hem tien vragen over zijn carrière.
1.
Je bent revalidatiearts, hoogleraar, bestuurder, en was ook opleider. Welke van deze functies ga je het meeste missen, en welke het minst?
‘Het minste missen ga ik mijn rol als bestuurder, vooral vanwege de jaarlijkse onderhandelingen met de zorgverzekeraars. Ik ben er na 18 rondes helemaal klaar mee. Elk jaar zijn er weer nieuwe medisch adviseurs en door al die wisselingen begin je steeds opnieuw. Daar komt de duiding nog bij, al hebben we hier nog geen probleem gehad met de pijnrevalidatie, wel met de oncologische revalidatie en de orgaanrevalidatie.
Het meeste missen zal ik de begeleiding van jonge mensen op weg naar hun promotie. Het is mooi om ze te zien groeien in die jaren. Bij de start ben ik nog professor Geertzen en is het contact formeel; bij afronding vragen ze of ik mee ga om een biertje te drinken. Tot de pandemie deed ik nog veel onderzoek zelf, met een publicatie per jaar. Het opleiderschap heb ik 17 jaar gedaan, en ook hierin was het leukste om aiossen te begeleiden, maar ik had te veel taken, er moest iets af. En ik vond de visitatiecommissie soms zeuren. Bovendien bracht de combinatie van bestuurder en opleider me soms in een spagaat.’

2.
Je hebt ook veel nevenfuncties (gehad), landelijk en internationaal. Bijvoorbeeld VRA-voorzitter, ISPO-president, RN-bestuurder, hoofdredacteur van het NTR en nog veel meer. In welke functie kwamen jouw eigenschappen en kwaliteiten het meeste tot zijn recht?
‘Ja ik heb heel veel gedaan, ook het Concilium, de Beroepsbelangencommissie en de Werkgroep Transculturele Revalidatie (WTCR); eigenlijk alles behalve de WeCo. De grootste uitdaging was het presidentschap van de ISPO. Om mensen uit zóveel landen, zóveel culturen op één lijn te krijgen… Alle vergaderingen waren live dus ik reisde de hele wereld over. In Nederland heb ik het bestuur eens bij mij thuis te eten uitgenodigd, dat was nooit eerder gebeurd, maar het brak wel het ijs. Ik heb genoten van de diversiteit. Wat nodig is: luisteren, nieuwsgierigheid, zonder oordeel. Al was dat laatste wel eens lastig, zeker met Amerikanen. Waar ik me aan ergerde was de corpsmentaliteit, dat mensen rechten menen te hebben vanwege de positie van hun voorouders. Ik heb geprobeerd om de ISPO te democratiseren maar na mijn vertrek is dat helaas teruggedraaid. Wat betreft het NTR vond ik bij aantreden dat het wel wat wetenschappelijker mocht en volgens mij is dat aardig gelukt. En auteurs moeten zich gewoon aan de regels houden, ze moeten niet het idee krijgen dat ze kunnen onderhandelen over het aantal woorden, dat mag echt scherper. Als redactie zou je pas aan de slag moeten met de inhoud als de voorwaarden kloppen.’
3.
Je bent voorstander van centralisatie in de zorg. Hoe staan we er nu voor wat dat betreft?
‘Slecht! In het noorden zijn we lang bezig geweest met de concentratie van onder andere kinderrevalidatie en pijnrevalidatie. Dat was een moeizaam proces met de bestuurders en revalidatieartsen van de betrokken instellingen. Als je het top-down wil regelen krijg je veel weerstand; bij de kinderrevalidatie is het goed gelukt dankzij de inzet vanaf de werkvloer. En ik vind dat vier dwarslaesiecentra in Nederland voldoende is, verspreid over het land, terwijl het er nu nog acht zijn. Het zijn lastige processen, kijk maar naar de kinderhartchirurgie, maar met de kinderoncologie is het wel goed gelukt. Wat betreft amputatie zou de zorg vooral in de GRZ (Geriatrische Revalidatiezorg, red.) meer geconcentreerd moeten worden. We zijn in het noorden bezig met een soort RevaStart (van Rijndam, red.), voor de diagnoses stroke en beenamputatie.’
4.
Je bent gepromoveerd op CRPS, je hebt je daarna gespecialiseerd in amputatie en prothesiologie, maar bent ook betrokken bij de pijnrevalidatie onder andere als bestuurder van het Netwerk Pijnrevalidatie Nederland NPN. Hoe zie je die combinatie van aandachtsgebieden?
‘De amputatie en prothesiologie is echt mijn aandachtsgebied. Maar als bestuurder moest ik wel mee in het bestuur van de NPN. Dat was een goed initiatief, om met de vier voormalige Ontwikkelcentra Pijnrevalidatie (OPR) meer te gaan samenwerken, als reactie op de problemen met het Zorginstituut. Er waren maar drie gesubsidieerde ontwikkelcentra aangewezen en aanvankelijk vielen wij buiten de boot. Daarop hebben we als UMCG geprocedeerd om het vierde OPR te worden, en tijdens de rechtszaak vroeg ik of ‘een Rotterdamse havenarbeider soms meer waard was dan een Drents keuterboertje’. Die uitspraak is in de stukken terechtgekomen en de rechter ging daarin mee. Het lidmaatschap van de OPR heeft veel onderzoek gegenereerd en veel promoties opgeleverd.’

5.
Je bent ook actief geweest voor patiëntenverenigingen, zowel op het gebied van CRPS als op het gebied van amputatie. Hoe zie jij de rol van de revalidatiearts in patiëntenverenigingen?
‘De patiëntenvereniging ‘Korter maar Krachtig’ heb ik zelf opgericht, samen met Marcel Conradi, omdat ik het vreemd vond dat bij de ontwikkeling van richtlijnen geen patiënten aan tafel zaten. Er waren wel verschillende kleinere patiëntenverenigingen, maar die maakten vooral onderling ruzie. Voor de oprichting hadden we oud-managers gevraagd om statuten en een huishoudelijk reglement op te stellen. Het is natuurlijk wel raar dat een arts een patiëntenvereniging moet oprichten. Ik heb patiëntenparticipatie altijd heel belangrijk gevonden, zowel in mijn werk als in mijn privéleven. Zo vind ik dat een patiënt (of diens naaste) altijd bij een patiëntbespreking aanwezig moet zijn. Mijn advies aan patiënten was om het gesprek goed voor te bereiden en mij vooraf vragen te mailen. Op sommige vragen kon ik dan per mail al antwoorden en op andere vragen konden we dieper ingaan tijdens het gesprek. Voor vertegenwoordigers van een patiëntenverenigingen is het soms lastig om het individuele te overstijgen en namens de achterban te spreken ook al is men het persoonlijk niet eens met een standpunt.’
6.
Je hebt een zilveren en een gouden balk, je hebt de Van Hoytema Trofee een keer gewonnen en je bent erelid van de VRA. Waar ben je het meest trots op?
‘Op de Van Hoytema Trofee; die balken gingen meer vanzelf vanwege mijn functies. Voor de Van Hoytema Trofee moet je echt iets bijzonders doen. Samen met Hans Rietman heb ik vijf leerboeken geschreven, zowel over amputatie en prothesiologie als over volwassenrevalidatie in het algemeen. Wat een werk was dat! Behalve inhoudelijk ook logistiek, en het contact met de Nederlandse en Vlaamse auteurs was soms ook lastig. Ik was geweldig trots toen ik het eerste boek daadwerkelijk in handen had.’
7.
Hoe was het om als Bosschenaar het grootste deel van je leven in Groningen te wonen?
‘Ik had mijn vrouw beloofd dat we na mijn opleiding in Groningen terug zouden gaan naar Brabant. Maar de voorwaarden waaronder ik verder kon in het toenmalige AZG (Academisch Ziekenhuis Groningen, red.) waren veel gunstiger dan in enkele Brabantse centra waar ik me had georiënteerd. De combinatie van patiëntenzorg en onderzoek is toch het mooiste. En ik woon nu heel mooi, dichtbij de Onlanden, dat ga ik in Brabant niet meer krijgen.’
8.
Welke plannen heb je voor na je pensioen? Wat gaan we nog van je horen?
‘Mijn registratie heb ik afgelopen oktober nog kunnen verlengen, maar ik ga geen patiëntenzorg meer doen. Tenzij er een student is die al het typewerk voor me doet. Dat wil ik echt niet meer. Ik heb nog twee promovendi waarvan de laatste het traject afrondt in 2027. Ik heb enkele toezichthoudende functies, daar ga ik voorlopig mee door. Na mijn afscheid op 24 april sluit ik Outlook zes weken helemaal af, eerst even afstand nemen. Ik hoop meer tijd te krijgen om te zeilen, wielrennen, wandelen en lezen. Er liggen al verschillende boeken klaar.’
9.
Onze generatie heeft hard werken altijd normaal gevonden, de werk-privé balans deed er weinig toe. Hoe zie jij de toekomst van ons vak, met jonge collega’s die heel andere opvattingen hebben?
‘Somber. Zo heb ik geen opvolger, en ook collega-hoogleraren die binnen enkele jaren met pensioen gaan maken zich zorgen. Het was vroeger niet per se beter, maar wel anders. Bijna niemand werkt meer fulltime, en ik begrijp dat ook wel. Zij hebben meer tijd voor bijvoorbeeld de kinderen dan ik had. Ik voorspel dat er in de revalidatiecentra uiteindelijk vooral Physician Assistants (PA’s) en Verpleegkundig Specialisten (VS-en) zullen werken, met een consulent revalidatiearts vanuit het ziekenhuis. Alleen al bij het Centrum voor Revalidatie in het UMCG hebben we 17 PA’s /VS-en en aniossen en nog vindt men dat te weinig. Er wordt veel geklaagd over werkdruk, dat heb ik nooit gedaan. Naar mijn idee zijn er behalve taakverschuiving ook andere oplossingen: de logistiek moet beter en er moet efficiënter gewerkt worden. In de kliniek kan je bij opname al de ontslagdatum vastleggen, en je daaraan houden tenzij er ernstige complicaties zijn. Dat maakt de planning veel efficiënter en het is financieel ook gunstiger. Wat wringt: wij gingen naar huis als het werk af was; nu gaat men naar huis als ‘men er klaar mee is’. Maar nu klink ik wel erg als een iemand van de oude stempel.’
10.
Is er nog iets wat je de lezers van het NTR wilt meegeven?
‘Ik hoop dat revalidatieartsen meer onderzoek gaan doen, dat is nodig voor de onderbouwing van ons vak. Het is jammer dat het nu vaak ophoudt na een promotie: er promoveren wel meer revalidatieartsen maar onderzoek doen stopt vaak daarna. En brede onderzoekslijnen geven meer kansen. We verzamelen zoveel data, daar zouden we zoveel meer mee kunnen doen! Meer geld zou helpen, dan kan een onderzoek-minded revalidatiearts een dag per week vrijgesteld worden om onderzoek te blijven doen.‘
Benoeming tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau

Aan het einde van het afscheidssymposium ter gelegenheid van Jans pensionering werd Jan verrast door de komst van de burgemeester van Tynaarlo, Marcel Thysen. Deze hield een mooie toespraak waarin de verdiensten van Jan voor de revalidatiegeneeskunde nationaal en internationaal, de wetenschap, de patiënten, de ISPO, Revalidatie Nederland en de VRA uitgebreid belicht werden. Vervolgens benoemde hij Jan tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
Met deze hoge koninklijke onderscheiding wordt Jan Geertzen geëerd voor zijn uitzonderlijke en langdurige bijdrage aan de ontwikkeling van de revalidatiegeneeskunde in Nederland en daarbuiten. Het onderstreept de brede maatschappelijke en wetenschappelijke betekenis van Jan voor de revalidatiegeneeskunde.
Gerelateerde artikelen NTR
Prikkelend perspectief op professionele ontwikkeling
‘Blijf onderzoek doen, voor de onderbouwing van ons vak’
‘Is revalidatie aan seks toe?’
‘Kiezen iets niet te doen’
Gerelateerde artikelen Revalidatie Magazine
eHealth bij Adelante: onlosmakelijk onderdeel van de best mogelijke zorg
Vogellanden geeft Zwolle en omgeving een gezondheidsboost
Libra verandert en reist mee met patiënten