Interview met hoogleraar Anne Visser-Meily en lector Jorit Meesters

Anne Visser-Meily en Jorit Meesters zijn bevlogen wetenschappers die duidelijke ideeën hebben
over de voordelen van structurele samenwerking tussen HBO en WO op het gebied van praktijkgericht onderzoek. Het themanummer over wetenschap van het NTR biedt hen
een goede gelegenheid om hun visie op dit onderwerp toe te lichten.
Anke Meester sprak met hen.

Auteur
DR. A. (ANKE) MEESTER
(Kinder)revalidatiearts n.p.

Fotograaf
STIJN RADEMAKER

Anne Visser-Meily en Jorit Meesters

Anne Visser-Meily is per 1 juli 2013 benoemd tot hoogleraar revalidatie geneeskunde in UMC Utrecht. Zij is medisch hoofd van afdeling Revalidatie, Fysiotherapiewetenschap en Sport in het UMC Utrecht en is daarnaast ook hoofd van het Kenniscentrum Revalidatiegeneeskunde Utrecht, een samen werkingsverband van het Hersencentrum UMC Utrecht en De Hoogstraat Revalidatie. Ze vindt dat onderzoek moet leiden tot zorginnovaties zoals nieuwe behandelingen of nieuw oefenmateriaal. Visser-Meily heeft een aantal landelijke implementatieprojecten geïnitieerd, die door het Kenniscentrum Revalidatiegeneeskunde Utrecht succesvol zijn uitgevoerd. Ze promoveerde in 2005 op het proefschrift: Caregivers, partners in stroke rehabilitation.

Jorit Meesters is sinds 1 november 2020 lector Revalidatie & Technologie aan De Haagse Hogeschool. Het lectoraat is een gezamenlijk initiatief van Basalt en De Haagse Hogeschool in innovatie, kennisontwikkeling en onderzoek. In 2013 promoveerde hij op multidisciplinaire revalidatie en werkte vervolgens als onderzoeker bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en Basalt. Zijn onderzoekfocus: e-health en technologie in de revalidatiezorg: hoe kan technologie bijdragen aan een efficiënte en toekomstbestendige revalidatiezorg.

Wat is eigenlijk precies praktijkgericht onderzoek?

‘Praktijkgericht onderzoek (PrO) is een samenspel tussen praktijk en wetenschap met als doel innovatie en verbeteren van de gezondheidszorg en -preventie. De zorg in Nederland staat steeds meer onder druk. Enerzijds is er een toenemende krapte aan zorg-personeel en druk op de zorgkosten en anderzijds worden we allemaal ouder. Dat vraagt om meer en complexere zorg of misschien zorg die helemaal anders wordt georganiseerd. We hebben nieuwe kennis nodig die direct toepasbaar is in de dagelijkse praktijk en waar de zorg efficiënter van wordt. Vragen vanuit de beroepspraktijk leiden tot praktijkgericht onderzoek door hogescholen. De samen­werking tussen onderwijs, onderzoek en de beroepspraktijk is kenmerkend voor het praktijkgericht onderzoek, dat onder leiding staat van lectoren van het HBO. Die samenwerking betreft zowel de vraagstelling, de uitvoering, de toepassingen van de resultaten in de praktijk als het onderwijs. Om dat te kunnen realiseren vindt praktijkgericht onderzoek vrijwel altijd plaats in netwerken. Het is vaak kortcyclisch zodat het aansluit bij de behoeften van de praktijk. Praktijkgericht onderzoek is daarmee een schakel tussen fundamenteel onderzoek en onze samenleving. Resultaten van het PrO zijn kennis, inzichten, producten en diensten die bijdragen aan innovatie van de beroepspraktijk en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.’

Wat is het verschil tussen praktijkgericht onderzoek en wetenschappelijk onderzoek?

‘Wetenschappelijk onderzoek dat zich bezighoudt met problemen uit de praktijk is iets anders dan het ‘klassieke’ wetenschappelijk onderzoek. Het vereist ook een andere methodologie. Klassiek wetenschappelijk onderzoek heeft als doel: kennis ontwikkelen; praktijkgericht onderzoek heeft als doel: probleem oplossen en dat heeft consequenties voor de onderzoeksmethodologie. Gevestigd onderzoek is theoriegericht en streeft naar algemene antwoorden. Generaliseerbaarheid van de onderzoeksbevindingen is daarom een voorwaarde. Maar die eis heeft een lagere prioriteit bij praktijkgericht onderzoek, dat juist contextgebonden is.

Klassiek wetenschappelijk onderzoek heeft veel te bieden als het gaat om kennisproblemen, maar veel minder voor handelings­problemen. Als je onderzoek doet op een gebied als bijvoorbeeld de zorg, dan is theoretische kennis wel nuttig, maar niet voldoende. De probleemstelling moet anders geformuleerd worden: de vraag wat men kan doen, en hoe, dient erbij betrokken te worden. Klassiek onderzoek is grootschalig en kwantitatief, terwijl je bij prak­tijkgericht onderzoek vaak geen grote steekproef hebt. Dat betekent voor je onderzoek dat je moet werken met kwalitatieve methoden, zoals interviews, observaties, analyse van documenten in plaats van kwantitatieve en statistische technieken en procedures.’

Anne:
‘Als je onderzoek doet in de
zorg is theoretische kennis nuttig
maar niet voldoende’

Is praktijkgericht onderzoek wel wetenschap?

‘Praktijkgericht onderzoek moet voldoen aan wetenschappelijke criteria, maar van de klassieke eisen zoals controleerbaarheid, interne en externe generaliseerbaarheid en cumulativiteit (opbouwen van kennis) zijn de laatste twee voor praktijkgericht onderzoek minder van belang. Daar staat tegenover dat er een criterium wordt toegevoegd: bruikbaarheid. Een complexe eis, die bijvoorbeeld met zich meebrengt dat dit type onderzoek vaak alomvattend moet zijn, terwijl in de klassieke wetenschap meer wordt gekeken naar aspecten. Interdisciplinariteit speelt daarom vaak een belangrijke rol bij praktijkgericht onderzoek.’

Waar bij het opzetten van praktijkgericht onderzoek ook naar gekeken wordt is de zogenaamde ‘vraagarticulatie’

‘Bij de vraagarticulatie gaat het niet om dat een probleem dat gesignaleerd wordt in de dagelijkse beroepspraktijk vertaald wordt in een onderzoeksvraag, maar dat het probleem eerst wordt verkend en dat er vervolgens besloten wordt of er wel onderzoek nodig is of dat er een andere oplossing voor het probleem is. Dit proces is een behoorlijke uitdaging. Het aanbod van kennis is niet per definitie gericht op de kennisgebruiker. Onderzoekers hebben vaak geen idee welke problemen er spelen in beleid of praktijk. Het gevolg is dat veel kennis niet wordt gebruikt en veel problemen geen oplossing vinden. Ook is het zo, dat de kennis­gebruiker zijn problemen niet automatisch stelt in termen van een vraag naar kennis. Veel gebruikers van kennis – waaronder beleid­smakers – zijn niet grootgebracht met het vermogen tot formulering van een goede kennisvraag: wat wil ik weten en waarom? Vaak weten gebruikers niet hoe ze hun probleem zo moeten formuleren dat herkenbaar wordt met welke (combinaties van) kennis het probleem kan worden opgepakt. Bovendien staan probleem en/of oplossing (nog) niet altijd scherp op het netvlies en is er niet altijd een kennisvraag. Goede vraagarticulatie, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende invalshoeken van waaruit betrokken partijen een vraagstuk benaderen, leidt niet direct tot implementatie maar kan er wel aan bijdragen.’

Hoe kunnen praktijkgericht onderzoek en weten­schappelijk onderzoek elkaar versterken?

‘Wij denken dat er een enorme kruisbestuiving kan optreden door deze samenwerking, die overigens ook door ZonMw wordt ondersteund. Het praktijkgericht onderzoek (PrO) leidt tot een intensivering van het aangaan van interdisciplinaire samenwerking, zowel tussen het HBO en het WO als binnen het HBO met andere opleidingen, als met andere stakeholders. Het HBO kan profiteren van de wetenschappelijke ondersteuning door de uni­versiteiten en het WO profiteert van de netwerken die er binnen het HBO gevormd kunnen worden en de verbinding met de dage­lijkse beroepspraktijk, die zich veel meer bevindt in de context van de patiënt. Het netwerk dat betrokken is bij dit soort projec­ten breidt zich als een olievlek uit. Als je deze ontwikkeling vergelijkt met een lab van de afdeling neurologie bijvoorbeeld, waarbij 40 onderzoekers op microniveau met petrischaaltjes bezig zijn de genetische raadsels bij erfelijke aandoeningen te ontrafelen, dan zou je in feite de dagelijkse praktijk zoals die betrokken wordt bij het PrO kunnen zien als ons ‘lab’, waar wij ons onderzoek doen.
Je kunt gezamenlijke onderzoekslijnen ontwikkelen en, ook niet onbelangrijk, het levert voor beide partijen meer subsidiemoge­lijkheden op, zoals bijvoorbeeld de RAAK-subsidies, uitgevoerd door het Regieorgaan SIA, dat een onderdeel is van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Dit zijn subsidies die worden toegekend aan hogescholen. De ingediende projecten worden niet alleen beoordeeld op de kwaliteit van het onderzoeksplan, maar ook op de vraagarticulatie, de betrokken netwerkpartners en de maatschappelijke relevantie. Door onder­zoekslijnen te ontwikkelen kun je gebruik maken van meer subsidiemogelijkheden voor beide partijen.’

Wat zijn voorbeelden van PrO projecten?

‘Hierbij kun je denken aan projecten die het effect onderzoeken van robotica, sensortechnologie, artificial intelligence en e-revalidatie ter verbetering van lichaamsfuncties, of het ontwikkelen van innovaties voor intensieve (thuis)revalidatie, verbetering mobiliteit, eigen regie en zelfredzaamheid van de patiënt of het bevorderen van snellere transitie van revalidatiecentrum/ziekenhuis naar huis. Dit zijn voorbeelden van projecten die onderzocht worden in het zogenaamde Fieldlab Rehabilitation and Mobility (een gezamenlijk initiatief van Basalt, LUMC en de Haagse Hogeschool).
Een ander voorbeeld is CommuniCare: Dit is een project om de communicatie te verbeteren tussen zorgverleners (niet logo­pedisten) en mensen met afasie en hun naasten. Het is een samenwerking tussen de Hogeschool Utrecht, Hogeschool Arnhem/ Nijmegen, de Thomas More Hogeschool in Geel, België en het KCRU (Kennis Centrum Revalidatie Utrecht) en vervolgens nog een aantal zorginstellingen.’

Jorit:

‘Samenwerking tussen hbo
en universiteit in onderzoek
verbetert de interventie die
onderzocht wordt en vergroot de
kans dat deze uiteindelijk succesvol
geïmplementeerd wordt’

Wat betekenen deze ontwikkelingen voor het onderwijs?

‘We hebben voorlopig niet de illusie dat structurele samenwerking tussen HBO en WO in het curriculum opgenomen wordt, want dat is vrijwel niet open te breken. Maar wel kan het PrO in de vorm van projecten aan de studenten aangeboden worden en dan dus curriculum-overstijgend. De docenten hebben hier een belangrijke stimulerende rol in. Het onderzoek wordt voor de studenten leuker, want dichter bij de dagelijkse praktijk, creatiever, want meer samenwerken met anderen uit naastgelegen vak­gebieden en uitdagender omdat de vraagstelling breder wordt (is onderzoek eigenlijk wel nodig gezien de al beschikbare kennis?).’

Vinden jullie dat het doen van onderzoek verplicht moet zijn voor alle studenten?

‘Ja, elke student moet een onderzoeksproject opzetten en afronden. Het is heel zinvol om te ervaren hoe het is om onderzoek te doen en ook om te leren kritisch de onderzoeksresultaten van anderen te beoordelen, maar ook de beperkingen te ervaren. Niet iedereen is daarvan overtuigd overigens, maar het zou zeker heel zinvol zijn.’

Is er nog meer spin-off van deze ontwikkeling?

‘Er is nog een interessante spin-off van deze ontwikkelingen en dat is het ontstaan van startups. In het kielzog van praktijkgerichte oplossingen van problemen ontstaan er vanuit de universiteiten kleine bedrijfjes die de gevonden oplossingen op de markt gaan brengen. Dat draagt natuurlijk ook bij aan een snelle implementatie. Een andere tendens die we ook de laatste tijd signaleren is dat de eisen waar onderzoekers aan moeten voldoen, en waar de afgelopen jaren veel kritiek op was, aan het veranderen zijn. Vroeger werd je afgerekend op het aantal publicaties per jaar en dan liefst ook nog in tijdschriften met een hoge impact factor. De laatste tijd merken we dat er meer en meer gekeken wordt naar samenwerking met anderen en maatschappelijke relevantie.
Dit zijn wat ons betreft allemaal gunstige neveneffecten.’

Welke langetermijneffecten hopen jullie te bereiken met de door jullie voorgestelde ontwikkelingen?

Jorit Meesters: ‘Ik hoop dat de professionals in de zorg in staat zijn om deze nieuwe ontwikkelingen ook te gebruiken en dat ze een rol als innovator in de zorg krijgen.’

Anne Visser: ‘Mijn doel is eigenlijk het beslechten van muurtjes om samen de zorg te verbeteren voor mensen met een blijvende beperking. In 2011 kregen we de ZonMw parel voor het Oefenboek voor mensen met een beroerte. We hebben net een update gemaakt met input van 150 zorgprofessionals uit ziekenhuizen, revalidatie­centra en de geriatrische revalidatiezorg (GRZ). Ook Niet Rennen Maar Plannen is een echte praktijkinnovatie. Ik hoop in de toekomst nog meer van deze praktische innovaties te realiseren.’

Samengevat

‘Waarom wij structurele samenwerking tussen HBO en WO op het gebied van praktijkgericht onderzoek zo belangrijk vinden:

  • Het onderzoek sluit direct aan op vragen uit de praktijk.
  • We werken samen met paramedici en verpleging, tenslotte zijn zij onze teamleden.
  • We hebben meer en diverse mogelijkheden voor subsidiëring.
  • De opgedane kennis wordt meteen meegenomen in het onderwijs, want de onderzoekers zijn ook vaak de docenten, dit is een groot voordeel.
  • En het onderzoek is veelal kwalitatief onderzoek en implementatie-onderzoek.’