Tien vragen aan prof. dr. Coen van Bennekom
Op 4 juni nam professor dr. Coen van Bennekom afscheid met het symposium ‘Herstel in perspectief; Reflectie en toekomst van revalidatie bij hersenletsel.’ Zijn eigen presentatie had als titel ‘Revalidatie: brug tussen herstel, gezondheid en maatschappelijke participatie’. Ter gelegenheid van zijn emeritaat stelde de redactieraad hem tien vragen.
Auteur
REDACTIERAAD NTR

In zijn loopbaan was Coen naast revalidatiearts en hoogleraar ook voorzitter van de Commissie Wetenschap en Innovatie (WeCo) van de VRA, opleider, lid van de redactieraad van het NTR, betrokken bij de Stichting Revalidatie Impact en bij de ontwikkeling van diverse richtlijnen.
1.
Hoe ben je revalidatiearts en bijzonder hoogleraar met aandachtsgebied niet-aangeboren hersenletsel (NAH) geworden?
‘Na wat omzwervingen in andere studierichtingen zoals bewegingswetenschappen en filosofie heb ik uiteindelijk voor geneeskunde gekozen. Dat was geen rechte weg en uiteindelijk studeerde ik na 11 jaar af, met dank aan goed advies van een hoogleraar farmacologie. Een toekomst tussen laboratoriumratjes zag ik niet voor me. Via mijn wetenschappelijke scriptie over de relatie tussen kracht en EMG maakte ik kennis met de revalidatiegeneeskunde. Na een jaar in het onderwijs aan de faculteit gewerkt te hebben, kon ik promotieonderzoek doen bij professor Lankhorst. Onderwerp was het Revalidatie Activiteiten Profiel (RAP). Terugkijkend zat in mijn studie wel een lijn, met aandacht voor gedrag, bewustzijn en hersenen, en was deze weg zeker de moeite waard. De opleiding tot revalidatiearts en werken met mensen met hersenletsel was de volgende stap. Het hoogleraarschap kwam op mijn pad door het opzetten van een afdeling Research and Development (R&D) bij Heliomare. Hierbij was en is de ondersteuning vanuit de Raad van Bestuur cruciaal.’
2.
Wat is er zo interessant aan NAH?
‘Het boeiende aan hersenletsel is dat het adaptatievermogen direct is aangetast: het instrument hiervoor is stuk. Dat heeft invloed op alles in het leven van een mens. NAH vind ik helaas een verwarrende term! Die term is indertijd een begrip geworden omdat patiëntenverenigingen hiermee meer zorg voor deze groep geregeld konden krijgen. Dat is gelukt – en terecht – maar het blijft een containerbegrip en zit vaak een aanpak op maat in de weg. Wat ik verder bijzonder vind bij mensen met hersenletsel is dat de humor overeind blijft. Dat houdt de patiënt maar ook de naasten en hulpverleners vaak op de been. NAH bestrijkt het hele spectrum, van zeer ernstig tot licht traumatisch hoofd/hersenletsel (LTH), en alles er tussenin. Heliomare heeft zich recent ook gespecialiseerd in de zeer ernstige groep, nog in de fase van posttraumatische amnesie. Ik vind het een hele mooie populatie om te ondersteunen, en ook terug te geleiden naar werk. Revalidatie houdt niet op bij leren lopen en aankleden.’
‘Aandacht voor
werkhervatting hoort
bij ons vak’
3.
Hoe kwam je tot je andere aandachtsgebied: arbeid?
‘We hebben bij Heliomare gezien dat mensen met hersenletsel die nog werkzaam zijn heel gemotiveerd zijn om weer aan het werk te gaan. Daar komt bij dat we met onze nieuwe afdeling R&D vier promovendi mochten begeleiden. Er was daarbij ook ruimte voor een promotieonderzoek gericht op de terugkeer naar werk na hersenletsel. Samen met het Coronel Instituut in Amsterdam hebben Judith van Velzen en ik meerdere onderzoeksprojecten opgezet op het gebied van arbeid bij patiënten met hersenletsel. In de patiëntenzorg betekent dit dat we al in de klinische fase aandacht besteden aan werk. Zo is bij elke teambespreking een arbeidsconsulent aanwezig. Ook kunnen patiënten oefenen met activiteiten die ze nodig hebben in hun beroep. Ik adviseer om in elke revalidatie-instelling al in een vroege fase een arbeidsconsulent in te schakelen bij de behandeling. Nu de klinische opnames zo kort geworden zijn, is dat vooral poliklinisch. Een arbeidsconsulent kan echt meer op dit gebied dan een ergotherapeut of maatschappelijk werker. Aandacht voor werkhervatting hoort bij de revalidatiebehandeling, daarmee is ook het Zorginstituut Nederland akkoord. Zolang het op de persoon gericht is en je niet op de werkvloer komt en geen uitspraken doet over de arbeidsgeschiktheid. Met onze expertise hebben we de richtlijn NAH en Arbeidsparticipatie ontwikkeld.’

4.
Je hebt ook het programma Individuele Plaatsing en Steun (IPS) geïmplementeerd bij mensen met hersenletsel. Hoe ging dat?
‘De IPS-methodiek bestond al voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen. Met subsidie van ZonMw hebben wij de haalbaarheid van toepassing bij mensen met hersenletsel onderzocht. Het oorspronkelijke IPS-traject duurde twee tot drie jaar; voor mensen met hersenletsel liep het één jaar. Er zijn IPS-trajectbegeleiders opgeleid en zij hebben 15 mensen die geen werk hadden maar wel graag wilden werken, begeleid middels IPS. Het was behoorlijk succesvol: van die 15 deelnemers hebben er acht een betaalde baan gevonden en drie vrijwilligerswerk. De deelnemers waren over het algemeen tevreden met de begeleiding en de uitkomst, ook als ze niet aan het werk kwamen. Dat er serieus geprobeerd werd om hen aan een betaalde baan te helpen werd gewaardeerd. We hebben over het onderzoek gepubliceerd in Brain Injury. Omdat het een tijdelijk gesubsidieerd project was is het helaas geen reguliere begeleiding geworden. Dat zouden we wel willen, gefinancierd door het UWV en gemeenten, maar het is een lastig traject om dat voor elkaar te krijgen. Terwijl er nog zoveel werkcapaciteit is bij mensen met hersenletsel!’
5.
Als hoogleraar ben je verbonden aan de afdeling Public and Occupational Health en niet aan de afdeling revalidatiegeneeskunde. Hoe is dat gegaan?
‘Het toenmalige Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid van het Amsterdam MC (AMC) richtte zich op vraagstukken op het gebied van arbeid en gezondheid, waarbij de gezondheid van de werkende of patiënt in relatie tot zijn/haar werk centraal staat. Gezien mijn belangstelling voor arbeid wilde ik graag aansluiten bij dat instituut. Dat paste beter bij mijn leeropdracht in 2013 dan de afdeling revalidatiegeneeskunde en ik ga altijd voor de inhoud. Als bijzonder hoogleraar was ik een dag per week vrijgesteld voor onderzoek. Ik noem mijzelf ook wel een ‘ontwikkelprof’ en vind het bijvoorbeeld belangrijk dat in elke richtlijn het onderwerp arbeid wordt genoemd. Dat is goed gelukt. Tegenwoordig is het Coronel Instituut onderdeel van het department of Public and Occupational Health van het Amsterdam UMC. De samenwerking met het Coronel Instituut en het department of Public and Occupational Health, is altijd goed geweest. Inmiddels heb ik mijn oorspronkelijke leeropdracht afgerond. Nu ik met emeritaat ben, mag ik nog vijf jaar promovendi begeleiden, mits die al gestart zijn met hun promotietraject. Inmiddels zijn mijn promovendi al klaar, maar ik opponeer nog wel veel. En met plezier.’
6.
Heeft de VRA voldoende aandacht voor arbeid en arbeidsrevalidatie?
‘We hebben geprobeerd een aparte werkgroep arbeid op te richten maar dat is helaas niet gelukt. Er zijn nauwelijks generieke werkgroepen. Met een groep geïnteresseerde artsen hebben we wel een focusgroep arbeidsrevalidatie opgericht en we kunnen elkaar goed vinden. Daarnaast is er ook ruim aandacht voor arbeid, bijvoorbeeld in minisymposia bij DCRM, en in alle richtlijnen wordt arbeid betrokken.’
‘Licht THL behoeft een
specifieke aanpak’
7.
Is licht traumatisch hoofd-hersenletsel (THL) een vorm van NAH?
‘Het is een andere groep dan patiënten met ernstiger, aantoonbaar hersenletsel. De prognose is in het algemeen goed, de gevolgen zijn in principe reversibel, en dat stralen we ook uit naar deze patiënten. De aanpak is echt anders, het betreft veel meer een op exposure gerichte benadering. Niet bang zijn voor toename van klachten, blijven opbouwen. Caroline van Heugten, hoogleraar psychologie in Maastricht, is een studie met een behandelprogramma gestart dat wij in Heliomare ook hebben toegepast: vier dagen intensief trainen met veel prikkels, onder begeleiding van een psycholoog, en op de vijfde dag uitleg aan naasten. De meeste mensen herstellen dezelfde week met deze aanpak. Bij mensen met licht THL speelt vaak een posttraumatische stressstoornis, slaapproblemen en ze zijn vaak perfectionistisch. Dat zit het herstel in de weg. We hebben nu een multidisciplinaire richtlijn voor licht THL, met nog weinig evidence, maar daar wordt aan gewerkt. Als het goed is kunnen de meeste patiënten in de toekomst goed behandeld worden in de eerste lijn, die hoeven dan niet meer naar de revalidatiegeneeskunde.’
8.
Je bent voorstander van meten, van klinimetrie. Heb je wensen voor de toekomst?
‘Ja, ik vind dat we beter moeten aantonen wat het resultaat is van onze behandeling! We hebben al veel ontwikkelingen gehad op dat gebied, zoals het RAP en de USER. Helaas is veel inspanning nu vooral gericht op DBC’s in plaats van op uitkomsten. De PROMIS (Patient Reported Outcomes Measurement Information System, red) methode biedt wel mogelijkheden. Ik denk dat we zoveel mogelijk generiek moeten meten, en alleen specifiek waar nodig. Gelukkig neemt de weerstand tegen meten af, we zijn minder bang dat meetresultaten op een negatieve manier uitgelegd worden door bijvoorbeeld zorgverzekeraars of toezichthouders. Juist de resultaten moeten meegenomen worden in de onderhandelingen met hen. Voor patiënten blijft het belangrijk dat ze geen eindeloze lijsten moeten invullen.’

9.
Je bent gestopt met patiëntenzorg, maar nog niet bij Heliomare. Wat blijf je doen en wat ga je verder doen?
‘Ik blijf nog twee dagen werken voor de afdeling R&D van Heliomare. Van mij had het pensioen nog niet gehoeven, ik had best willen doorwerken, maar ik ben ik januari 67 geworden en dan houdt het reguliere werk op. Ik had met name nog veel plezier in de patiëntenzorg. De managementtaken vond ik lastiger en ik kreeg het gevoel in herhaling te vallen. De patiëntenzorg heb ik altijd ervaren als het leukste: samen met het team de patiënt zo goed mogelijk revalideren. De invulling van mijn huidige rol moet deels nog vorm krijgen. Vooral het onderhouden en uitbouwen van kennisnetwerken is van belang. Ik ben nog betrokken bij projecten op het gebied van traumatisch hersenletsel, onder andere met een subsidieaanvraag voor SKMS-gelden ten bate van een promotieonderzoek. Verder ben ik actief op het gebied van cryoneurolyse, e-health en klinimetrie. Daarnaast ben ik mijn opvolger aan het inwerken.’
‘Met veel plezier ben ik nu voorzitter Raad van Toezicht bij de Erik Scherderhuizen, dat is leuk om te doen. Deze huizen zijn voor jongeren met ernstig hersenletsel in de fase na de revalidatie. Bij deze groep staat werkhervatting centraal dus dat past goed bij mijn interesse. Ik vind het leuk dat mijn afscheidssymposium gericht was op traumatisch hersenletsel en vooral op de toekomst. Er waren mooie sprekers. Eerst had al deze aandacht van mij niet zo nodig gehoeven, maar ik vind het nu toch wel erg leuk als afsluiting voor mij en al mijn collega’s bij Heliomare.’
‘Laat vooral goed zien wat we
bereiken met onze patiënten’
10.
Wat wil je de lezers van het NTR verder nog meegeven?
‘Blijf generalist en wees diagnose-overstijgend in je aanpak, veel behandelmethodes zijn dit ook. Blijf breed en beperk je niet te veel, ook niet in je doelgroepen. Focus op de inhoud, laat zien wat je doet voor de patiënt, wat je bereikt, ook in maat en getal. En vergeet ook arbeid niet!’
Gerelateerde artikelen NTR
‘Blijf generalist en wees diagnose-overstijgend in je aanpak’
Prikkelend perspectief op professionele ontwikkeling
‘Blijf onderzoek doen, voor de onderbouwing van ons vak’
‘Is revalidatie aan seks toe?’
Gerelateerde artikelen Revalidatie Magazine
Het plannen van complexe zorg? Dat kan eenvoudiger, vinden ze in Groningen
Dit is waarom de Sint Maartenskliniek steeds meer operaties in eigen huis laat uitvoeren
Libra verandert en reist mee met patiënten